|
|
|
Systematiek en willekeur,
Het verhaal van de politieke gevangen uit het arrondissement Mechelen, Patrick Moreau, EPO, 2004 Een initiatief van Kunst en Democratie vzw Bestelinfo |
|
Deze publicatie is een initiatief van Kunst en Democratie vzw Arenbergstraat 1D 1000 Brussel Met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Vlaamse Gemeenschap In samenwerking met het Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk en het Joods Museum van Deportatie en Verzet, Mechelen Onderzoek en
samenstelling: Patrick Moreau (auteur) Uitgeverij EPO, Lange Pastoorstraat 25-27, 2600 Berchem Tel: 32 (0)3/239.68.74Fax: 32 (0)3/218.46.04, E-mail: uitgeverij@epo.be, www.epo.be Omslagontwerp: Jan Depover © Documenten en de
meeste foto's: Archief DDO van de Dienst voor Isbn 90 6445 300 4 D 2003/2204/10 Nugi 740 - 680 Verspreiding voor Nederland: Centraal Boekhuis Culemborg & Scholtens Sittard |
|
Inhoud
Voorwoord Inleiding Organisatie van de politiediensten in het Derde Rijk Het verzet in België De gevangenissen Concentratiekampen Politieke gevangenen De Zwarte Hand in Klein-Brabant en omstreken Duffel Heist-op-den-Berg Lier Mechelen De partizanen van Boortmeerbeek 'Gevaarlijke drijverijen' in de Rupelstreek Besluit Lijst overleden politieke gevangenen uit het arrondissement Mechelen Bijlage Beknopte bibliografie |
|
Inhoud
Voorwoord Inleiding Organisatie van de politiediensten in het Derde Rijk Inleiding De SS De Sicherheitsdienst Reichssicherheitshauptamt Het vervolgingsbeleid in nazi-Duitsland Inleiding De Rechtbanken De rechters De advokaten Het strafrecht De nazi-vervolging in België Inleiding De Duitse politiediensten De feldgendarmerie De geheime feldpolizei De Abwehr De SIPO/SD Verscherpte verhoren De Duitse rechtbanken in België en het Nacht- und Nebeldecreet De Militaire rechtbanken Sondergerichten Het Volksgericht Het verzet in België Vijf statuten De Belgische diensten De Britse diensten Verzetsgroeperingen Inlichtingendiensten Ontsnappingelijnen Clandestiene pers Gewapend verzet Het Geheim leger Het communistisch verzet Onafhankelijkheidsfront De Witte Brigade De Nationale Koninklijke beweging Groep G De gevangenissen Esterwegen Sonnenburg Wolfenbüttel Gross-Strehlitz Concentratiekampen Dachau Sachsenhausen/Oraniënburg Neuengamme Buchenwald Dora-Mittelbau Flossenburg Bergen-Belsen Mauthausen Gross-Rosen Ravensbrück Het Belgisch concentratiekamp Breendonk (AL Breendonk) Politieke gevangenen Begrip 'politieke gevangene' Politieke gevangenen in nazi-Duitsland Statuten Wetsontwerp Zijn memorie van toelichting De wet Toepassingsmodaliteiten De aanvaardingscommissies De beroepscommissie De gemeentelijke consultatieve commissies |
| Kaart |
|
De Zwarte Hand in Klein-Brabant en omstreken Ontstaan en activiteiten Vervolging en gevangenschap in België In Duitsland Een selectie: Boom: Edmond MAES Bornem: Louis POLFLIET Hingene: Carolus Ludovicus VAN GUCHT Liezele: Kamiel DE CLERQ Lippelo: Jozef-Albertus PEETERS Londerzeel: Alfons MOEYERSOENS Malderen: Jozef VERMAESEN Niel: Paul BASTIAENS Puurs: Remy Leon DE MOL Clement DIELIS Jan MARIS Ruisbroek: Jozef, Hendrik VAN BENEDEN Frans VAN BENEDEN Sint-Amands: Alfons MOORTGAT Ludovicus KOEK Tisselt: Marcel DE MOL Petrus VAN ZAELEN Willem VAN ZAELEN |
| Duffel |
|
Een selectie:
Jaak
GULDENTOPS Jos, Augustijn SELS Albert VAN HOOF |
|
Heist-op-den-Berg Het onafhankelijksfront Jeugdfront voor de Vrijheid Partizanenkorps Heist-op-den-Berg Groep Lambert Heist-op-den-Berg Een selectie: Richard BASTIJNS Georges CALUWAERT Georges DE WEYER Jozef THIJS Frans Leonard VAN OVERSTRAETEN Joannes (Jan) VERBEECK Henri VERSLUYS |
|
Lier Belgische Brigade/Witte Brigade afdeling 26 Ontstaan en organisaties Activiteiten Het Belgisch Legioen/Geheim Leger Sector Lier Ontstaan en organisatie Het Nationaal Legioen Een selectie: Joanna Maria AERTS Ludovicus Eduard BERVOETS Josephus Leonardus COOL Eugenius GEUNS Zoé (Jozefa) GUWIE Roger PAREZ Theodor PROOST Francis Gilbert RUYTS Jozef, Jan STEUKERS Ghislain Maurice TEEUWS François Josse VAN ARKKELS Louis VAN BOECKEL Arthur VANDERPOORTEN Emiel VERHOFT Raymond VERSTAPPE |
|
Mechelen Het Onafhankelijkheidsfront De partizanen Groep Bayard/Lijn K De Nationale Koninklijke Beweging, afdeling Mechelen-Muizen Het geheim leger Mechelen Groep G De Belgische Brigade Mechelen Een selectie: Leo ACKERMAN Raymond ACKERMAN Eugène BOSSIROY Desiderius BOUCHERY Armand BUS Elisabeth DESOLEIL Hendrik FRIEDMAN Leopold HAMMEL Maria INDEGRACHT Amaury LASSERONT Jozef SCHEPPERS de BERGSTEIN Philippe SCHMITT Martha SOMERS Julia STEVENS August VAN DER AUWERA Oscar VANKESBEECK |
|
De partizanen van Boortmeerbeek
Alfons DOCKX Désiré MERTENS |
|
'Gevaarlijke drijverijen' in de Rupelstreek Een selectie: Albert LENIE Jan NEUTJENS Hendrik SELLESLAGHS Adolf VAN DEN HEUVEL |
|
Besluit |
|
Lijst overleden politieke gevangenen uit het arrondissement Mechelen Overleden politieke gevangenen uit Heist en omstreken Overleden politieke gevangen uit Lier Overleden politieke gevangenen uit het Mechelse Overleden leden van de partizanengroep Boortmeerbeek Overleden politieke gevangenen van de partizanengroep Rupelstreek |
|
Bijlage Bijlage I - Executie van gijzelaars door de bezetter Bijlage II - Groep Draeyers Bijlage III - Natzweiler-Struthof |
|
Beknopte bibliografie Deel I Deel II |
|
Opkomen
voor vrijheid en democratie en tegen onrecht en dictatuur is van alle
tijden... De
vzw nam zich daarbij ook voor regelmatig via evenementen aandacht te
besteden aan relevante maatschappelijke thema's. We
wilden ook een lokale verankering van ons project. Deze publicatie en de
tentoonstelling die eraan gewijd is, handelt over politieke gevangenen in
België, meer specifiek over de politieke gevangenen uit het
arrondissement Mechelen. Wat hen bindt is dat ze vanuit België in de
gevangenissen, gevangenkampen en concentratiekampen van het Duitse Rijk
terecht kwamen en daar of vlak na hun thuiskomst stierven, dan wel
terechtgesteld werden in België tijdens de bezetting. De
overtuigingen, verhalen en activiteiten van deze mensen en de groeperingen
waartoe ze behoorden zijn een belangrijk, maar spijtig genoeg tot dusver
onderbelicht deel van ons democratisch erfgoed. Kunst en Democratie vraagt
met deze publicatie aandacht voor de politieke gevangenen uit de Tweede
Wereldoorlog, een wat ondergesneeuwd onderwerp. Kunst
en Democratie hoopt dan ook dat dit initiatief navolging kan krijgen, en
dat andere aspecten en andere gebieden in Vlaanderen en België ook aan
bod zullen komen. In die zin is deze publicatie ook een oproep. Voor
deze publicatie geldt bijzondere dank aan de Vlaamse Gemeenschap en de
Koning Boudewijnstichting, alsook aan het Nationaal Gedenkteken van het
Fort van Breendonk en het Joods Museum van Deportatie en Verzet te
Mechelen, zonder wie dit werk niet mogelijk was geweest.
|
|
Deze
publicatie wil de aandacht vestigen op personen in België die hun verzet
tegen de bezetting door het Derde Rijk en de daarbij horende Nieuwe Orde
met hun leven hebben bekocht. Ze kwamen terecht in gevangenissen,
gevangeniskampen, concentratiekampen en dodenmarsen, werden ter dood
veroordeeld en terechtgesteld of als gijzelaar uitgekozen uit de gevangen
verzetslieden en zonder proces gefusilleerd in Breendonk, op de Nationale
Schietbaan te Brussel of elders. Het
waren mannen zowel als vrouwen, adolescenten, volwassenen en ouderen,
intellectuelen en ongeschoolden, mensen met een vrij beroep, ambtenaren,
arbeiders, bedienden, middenstanders, boeren, militairen en burgers. Ze
behoorden tot allerhande ideologische en politieke strekkingen en
geloofsovertuigingen. Mensen zoals u en ik. Vandaag,
meer dan een halve eeuw nadat de overlevenden van de concentratiekampen
terugkeerden, zijn de overleden en nog levende slachtoffers van de
politieke vervolging vrijwel uit ons collectief geheugen gewist. De 41.275
erkende politieke gevangenen - waaronder 13.958 ten postume titel -
verdienen deze vergetelheid niet. Kenmerkend is de minimale aandacht die
in de media besteed wordt aan de jaarlijkse herdenking eind augustus,
begin september van de 'Bevrijding der Kampen' in het fort van Breendonk. Het
is een zeer goede zaak dat sinds een aantal jaren holocausteducatie een
verplicht onderdeel is in het leerplan van de verschillende
onderwijsnetten. De problematiek van de politieke gevangenen is dat echter
nog niet. Het bezoek dat vele scholieren aan het Nationaal Gedenkteken van
het Fort van Breendonk brengen is weliswaar een klein lichtpunt. Deze
publicatie vergezelt de tentoonstelling met dezelfde naam die de overleden
politieke gevangenen uit het arrondissement Mechelen opnieuw onder de
aandacht brengt door een aantal onder hen te belichten in het kader van
hun verzetsgroep. Vooraleer
over verzet te spreken hoort uitleg over hoe de politieke vervolging van
tegenstanders in nazi-Duitsland ontstond en in zijn werk ging, en wat de
rol van de wetgeving, de politie, de advocatuur en de magistratuur daarbij
was. Daarbij valt op hoe alle waarborgen van een democratische rechtsstaat
stelselmatig werden uitgehold en het rechtsprincipe ondergeschikt werd
gemaakt aan de nazi-ideologie. Ook
een schets van het Duits gerechtelijk systeem in België en Noord
Frankrijk, het gebied dat bestuurd werd door de Militärverwaltung onder
Generaal Alexander von Falkenhausen, is noodzakelijk om te verstaan hoe en
waarom deze mensen aangehouden werden. Verder
in deel 1 worden de gevangenissen, strafkampen en concentratiekampen
gesitueerd, zodat we de situatie waarin duizenden van onze landgenoten
terechtkwamen beter kunnen begrijpen. Ook
het A-Lager (Auffanglager of opvangkamp) van Breendonk, hét symbool van
de politieke vervolging in België, komt aan bod. Het behoorde volgens de
politieke gevangenen samen met Mauthausen en Gross-Rosen tot de wreedste
onder de kampen. Bovendien waren er na Sachsenhausen en Buchenwald het
meeste Belgen opgesloten. De
verschillende vormen die het verzet in België aannam worden nader
bekeken. Tot
slot wordt uitgelegd wat het begrip politieke gevangene inhoudt en welke
criteria de Belgische staat hanteert om iemand als politiek gevangene te
erkennen. Op
basis van literatuur en van de namen op monumenten werd een zo volledig
mogelijke lijst opgesteld, waarmee naar de Dienst voor Oorlogsslachtoffers
in Brussel getrokken werd om dossiers te kunnen consulteren, voor zover
die bestonden. Twee soorten dossiers werden geraadpleegd: die van de
Dienst Documentatie en Onderzoek (ddo)
- die de belangrijkste informatie over de personen en hun gevangenschap
bevatten en waar er soms een foto kon worden teruggevonden -, en daarnaast
werden ook de statutendossiers nagetrokken die de erkenningprocedures
weergeven. De
processen-verbaal van de getuigenissen en getuigschriften van de
verschillende verzetsgroeperingen die zich in die laatste dossiers
bevinden zijn van primordiaal belang om de personen te situeren. De
belangrijkste stukken werden digitaal gefotografeerd. Het valt op dat
sommige dossiers zeer rijkelijk gestoffeerd zijn met Duitse processtukken,
kampfiches en foto's, terwijl andere slechts karige informatie bevatten.
Bepaalde delicate informatie over mensen van wie beweerd werd en wordt dat
ze verklikkers waren, wordt niet openbaar gemaakt om de families van de
slachtoffers en van de daders niet nodeloos te kwetsen. Het ontbreken van
geboortedata heeft in bepaalde gevallen belet de relevante dossiers op te
vragen, zodat er mogelijks een aantal personen tussen de mazen van het net
zijn geglipt. Daarnaast werden in bepaalde gevallen geen dossiers
teruggevonden, wat er kan op wijzen dat de eventuele rechthebbenden van
deze overledene nooit een aanvraag tot erkenning hebben ingediend. De
volledige namenlijsten per beweging of per gemeente worden in bijlage
vermeld.
|
|
Organisatie van de politiediensten in het Derde Rijk |
|
Inleiding
Na
de machtsovername van de Weimarrepubliek op 30 januari 1933 wilden de
nieuwe nationaal-socialistische leiders hun politieke tegenstanders
monddood maken. Daarvoor moesten de politiediensten hervormd worden,
Duitsland moest een politiestaat worden. Ss'ers
moesten dienst nemen bij de politie, de veiligheidsdienst, de geheime
staatspolitie en het leger. Hun zwart uniform met doodskop symboliseerde
hun elitair karakter. De ss-leuze
'Meine Ehre heisst Treue', die hen werd gegeven door Hitler zelf, is
vandaag nog te zien in de voormalige kantine in het Fort van Breendonk.
Als bewakers en bestuurders van concentratiekampen, als organisatoren van
deportaties (Adolf Eichmann) en als leden van de moordcommando's
(Einzatsgruppen) brachten de ss'ers
ongeveer een miljoen mensen om, nog voor de kampen operationeel werden. Ook
het meedogenloze optreden van de Waffen ss, de militaire ss,
was berucht. In het kamp van Breendonk voerde Sturmbannführer Philip
Schmitt, bijgestaan door Untersturmführer Prauss en Belgische ss'ers, een waar schrikbewind, in overeenstemming met de
orders van het bestuur van de concentratiekampen. Later werd Schmitt ook
een jaar lang commandant van de Mechelse Dossin-Kazerne, van waaruit
25.257 joden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werden. Slechts 1.207
onder hen overleefden de oorlog. In
de zomer van 1933 richtte de tweede commandant van Dachau, Theodoor Eicke,
een paramilitaire training in voor ss'ers.
De terreur in de kampen moest professioneel georganiseerd worden. Leidraad
was de wereldbeschouwing van de ss:
een mens is slechts een kleine schakel in de keten die de vorige met de
toekomstige generatie verbindt. De ss
was volgens Himmler een korps van politieke soldaten dat de vijanden van
de volksgemeenschap, binnen en buiten het land, met alle mogelijke
middelen moest bestrijden. Tijdens
de beruchte 'nacht van de lange messen', 30 juni 1934, waarbij de sa,
de Sturmabteilung - de paramilitaire stormtroepen van de
Nationaal-Socialistische Arbeiderspartij nsdap
- werd uitgeschakeld, verstevigden Himmler en de ss
hun machtspositie. Op 20 november 1934 werd Himmler aangesteld als hoofd
van de Gestapo, de Geheime Staatspolizei of geheime politie die zich bezig
hield met het opsporen van politieke misdrijven tegen het Derde Rijk en de
aanhouding van staatsgevaarlijke individuen. De acties van de Gestapo
konden niet door de gebruikelijke administratieve rechtbanken worden
beoordeeld, enkel door de eigen hiërarchische overheid. Zo werd controle
op eventuele onwettelijkheden onmogelijk. In juni 1936 decreteerde Hitler
dat alle politionele macht in handen van Himmler moest gecentraliseerd
worden. Himmler richtte vervolgens de Sicherheitspolizei (sipo)
op, met twee afdelingen: Gestapo en Kriminal Polizei (kripo).
Toen was het hek helemaal van de dam: van toen af werden ss'ers
politieofficieren en politieofficieren ss'ers. De
dagelijkse leiding van de Gestapo werd waargenomen door Heinrich Müller,
lid van de Beierse politieke politie en pas sinds 1934 lid van de ss.
De man had al wel zijn strepen verdiend: hij was berucht om zijn
vervolging van communisten tijdens de Weimarrepubliek. De Gestapo voerde
het politiewerk uit: zij arresteerden en ondervroegen politieke
tegenstanders die door de sd of door eigen of partij-informanten aangebracht werden. De
meeste opposanten werden in concentratiekampen opgesloten, onder het
regime van de Schutzhaft, de beschermende bewaring. De kelders van het
hoofdgebouw van de Gestapo aan de Prinz Albrechtstrasse nummer 8 in
Berlijn werden gebruikt als gevangenis en werden berucht om hun
martelpraktijken en strenge verhoren. 4A
1: voor communisten, marxisten en aanverwante organisaties, misdaden in
oorlogstijd, illegale en vijandelijke propaganda; |
| Het vervolgingsbeleid in nazi-Duitsland |
|
De
nieuwe wetgeving, de nieuwe rechtbanken en bijbehorende politiediensten
moesten ervoor zorgen dat politieke tegenstanders, raciale problemen,
mentaal en fysisch gehandicapten, landlopers, homoseksuelen... op een
adequate manier werden aangepakt. Partijleden en leden van de ss,
sa, arbeidsdienst en
militairen werden door speciale rechtbanken berecht. Ook de
corporatistische organisaties, waarin werkgevers en werknemers verenigd
werden, mochten disciplinaire sancties opleggen. Die
manier van beslissen liep via hiërarchische weg, tot in de laagste
echelons, en veroorzaakte een immense papierberg in de nazi-administratie.
Deze manier van werken liet de Duitse oorlogsmisdadigers in de na-oorlogse
processen, te Nürenberg, toe zich ook verschuilen achter het 'Befehl ist
Befehl'. Een
kamer van advocaten waarvan de leden benoemd werden door Franck en de
minister van Justitie zag toe of de advocaten zich wel gedroegen volgens
de nsdap-ideologie.
Overtredingen werden door een ereraad beoordeeld. De rechten van
verdediging kwamen daardoor in het gedrang, vermits advocaten vooral
rekening moesten houden met de belangen van de natie. In
hun opleiding werden advocaten, maar ook rechters, openbare aanklagers en
notarissen geïndoctrineerd: de nazi-ideologie en de
bloed-en-bodem-theorie stonden op het studieprogramma. Het
decreet van 28 februari 1933 op de bescherming van volk en staat liet,
door de opschorting van een reeks grondwettelijke rechten, de Gestapo toe
politieke tegenstanders in verzekerde bewaring te nemen. De opsluiting was
ongelimiteerd in de tijd en moest niet noodzakelijk tot een proces leiden.
(In België bijvoorbeeld moet een verdachte die door een politiedienst
wordt voorgeleid, binnen de 24 uur voor de onderzoeksrechter verschijnen,
die dan een beslissing neemt omtrent de eventuele vrijheidsberoving.) Dit
decreet werd ingegeven door de brandstichting van de Reichstag door de
Nederlandse communist Van der Lubbe op 27 februari, daags voordien. De
persvrijheid, bewegingsvrijheid, vrijemeningsuiting, het recht op vrije
vergadering, het briefgeheim enz. werden in één trek afgeschaft. De
communisten waren de eerste slachtoffers van dit nieuwe besluit, maar
uiteindelijk werden alle partijen - behalve de nsdap
natuurlijk - buiten de wet gesteld. Iedereen die zich politiek
distantieerde van het regime werd op dezelfde manier behandeld. Dat gold
ook voor christenen, getuigen van Jehova, vrijmetselaars en anderen. Een
tweede decreet van 21 maart 1933, later vervangen door het decreet van 20
december 1934, liet toe dat kritiek op het regime of op zijn gezagdragers
bestraft werd met gevangenisstraffen of aanleiding kon geven tot
Sicherheitshaft. Met dit decreet werden ook uitzonderingsrechtbanken
ingericht om alle politieke misdrijven, met uitzondering van hoogverraad,
te bestraffen. Deze Sondergerichten werden bemand door drie
nationaal-socialistische rechters. Hoger beroep was uitgesloten. In
het Derde Rijk en ook in de bezette gebieden moest men te allen tijde op
zijn woorden letten, want de Gestapo had overal informanten die
subversieve uitspraken rapporteerden en dat kon leiden tot veroordeling en
opsluiting. Valse beschuldigingen, ingegeven door persoonlijke
onenigheden, hadden een echte terreur tot gevolg. De Duitse
volksgemeenschap moest gevrijwaard blijven van alle dissonante meningen en
invloeden: wie niet in de groep paste moest bestraft, heropgevoed of
permanent verwijderd worden. Subversieve uitspraken werden meestal
bestraft met één tot zes maanden opsluiting. Politieke misdrijven werden
overgedragen aan hogere rechtbanken. De
wet 'Lubbe' van 29 maart 1933 voorzag de doodstraf voor brandstichting;
dat was tegen de principes van 'nulla poena sine lege' (geen straf zonder
wet). Naar
aanleiding van de vrijspraak van de communistische medeverdachten in het
proces Van der Lubbe werden strafrecht en strafprocedure aangepast door de
wet van 24 april 1933. Voortaan moest een Volksgericht te Berlijn alle
gevallen van hoogverraad behandelen. In deze rechtbank zetelden twee
rechters, geflankeerd door vijf partijfunctionarissen. De leden werden op
voorstel van de minister van Justitie voor vijf jaar benoemd door
kanselier Hitler. Hoger beroep was uitgesloten, maar een genadeverzoek
leidde soms tot strafverlichting. Roland Freisler was er de beduchte
voorzitter van. Hij heeft bijvoorbeeld kopstukken van De Zwarte Hand, een
verzetsgroep uit Klein-Brabant en omstreken (zie deel 2), ter dood
veroordeeld. De wet van 28 juni 1935 op de verandering van de strafwet voerde het principe van de analogie in. Een misdrijf dat niet uitdrukkelijk strafbaar werd gesteld door de wet, kon worden bestraft naar analogie van een gelijkaardig misdrijf dat wel was voorzien in de wet. Dat betekende de formele afschaffing van het beginsel dat geen straf zonder wettelijke voorziening kan worden uitgesproken. Bovendien kon de ss tussenkomen in de strafbepaling. De ss kon zelfs een nieuwe rechtszaak uitlokken om een zwaardere straf te bekomen. Met dit rigoureus strafrecht steeg het aantal doodstraffen opmerkelijk, vooral vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog. |
|
De nazi-vervolging in België |
|
De
Abwehr was reeds voor het uitbreken van de oorlog officieus in België
actief. En op 27 mei 1940 bezetten leden van de Abwehr, de groep Herkules,
de sluis van Nieuwpoort om te voorkomen dat de IJzervlakte opnieuw onder
water zou worden gezet om de Duitse opmars te stuiten, zoals tijdens de
Eerste Wereldoorlog. Een
netwerk van vertrouwenspersonen werkte voor de Abwehr sectie 3. Deze
V-mannen (Vertrauerleute) infiltreerden in verzetsorganisaties en
veroorzaakten de ontmanteling van vele verzetsgroepen. De dienst 3F (F
staat voor Feindbekämpfung) was de belangrijkste en beschikte over 214
agenten die de niet-communistische verzetsgroepen aanpakte. In Antwerpen,
bevoegd voor de provincies Antwerpen en Limburg, was deze dienst zeer
bedrijvig. Hij werd tot eind 1942 geleid door V-man Jozef Vranken. Het
Englandspiel dat door de Abwehr ook in België werd opgezet had tot doel
de leden van verschillende Britse inlichtingendiensten zoals de soe,
MI6 en MI9 te onderscheppen en indien mogelijk te gebruiken voor
contra-informatie. Via MI9, de ontsnappingslijn van de Engelse geheime
diensten, kon men immers dubbelagenten in Engeland binnensmokkelen. Er
waren meerdere vrouwelijke vertrouwenspersonen in dienst, omdat vrouwen in
deze ontsnappingslijnen een belangrijke rol speelden. Radiozenders van de
aangehouden Britse parachutisten werden gebruikt om valse informatie te
sturen naar de geallieerden en valstrikken op te zetten. Een
van de soe-agenten die zo in
de val liep was Willem Beernaert. Op 27 juli 1942 werd hij gearresteerd in
Antwerpen na een ontmoeting met een V-man. Hoewel hij nooit meewerkte met
de Abwehr leidde zijn arrestatie tot de aanhouding van een tweehonderdtal
personen. Willem Beernaert werd opgesloten in verschillende Belgische
gevangenissen en in Breendonk en nadien overgebracht naar Duitsland waar
hij werd veroordeeld en geëxecuteerd. De
sipo/sd
hing officieel af van de Militärverwaltung, maar voerde in feite de
bevelen uit van het rsha en
van Himmler. De dienst was tot februari 1943 gevestigd in een gebouw aan
de Louisalaan nummer 453. Nadat in januari 1943 de Belgische piloot de
Selys Longchamps die gebouwen had gemitrailleerd, waarbij Thomas omkwam,
verhuisde men naar nummer 347. De
dienst was opgedeeld zoals die in Berlijn, maar beperkt tot zes
afdelingen. Politieke tegenstanders werden bestreden door sectie 4,
eigenlijk de Gestapo, geleid door Straub. Het Auffanglager van Breendonk
en het Jüdenlager van Mechelen hingen eveneens af van de sipo/sd. In
Antwerpen, Charleroi, Gent, Rijsel, Luik en Dinant bestonden plaatselijke
afdelingen. Er was een controlegroep voor de zwarte markt, evenals voor de
Organisation Todt, de organisatie binnen het Duitse leger die de militaire
verdedigingswerken uitvoerde, zoals de Atlantik Wall. Hiervoor werden
plaatselijke burgers en gevangenen ingezet. Een ss
en Polizeigericht bestrafte de misdrijven binnen de dienst. Reeds
in de zomer van 1940 hield de Gestapo ongewenste personen aan en sloot ze
op in Belgische gevangenissen zoals die van Sint-Gillis. Vanaf 20
september 1940 bracht de sipo
sommige gevangenen over naar Breendonk. De sipo/sd
had 306 agenten in dienst waaronder 28 Belgen, vooral tolken en
telefonistes. Sectie 4A, die ageerde tegen het communistische verzet,
telde 218 Duitse personeelsleden. Op
4 februari 1941 kreeg de sipo/sd
de bevoegdheid zelf aanhoudingen, huiszoekingen en inbeslagnames uit te
voeren. De arrestaties moesten wel binnen zeven dagen voorgelegd worden
aan de militaire bevelhebber. Voor het in verzekerde bewaring nemen
(Sicherheitshaft) moest eerst de toelating van von Falkenhausen bekomen
worden. Later moest dit gemeld worden na een zekere periode. Het bevel tot
arrestatie van verdachte personen, het Sicherheitshaftbefehl, werd
uitgeschreven door de sd te Brussel. Van
de communistische partij en haar leden werd het meeste verzet verwacht.
Logisch, gezien hun strijdbaar optreden voor en tijdens de machtsgreep in
Duitsland en elders, zoals in de Spaanse Burgeroorlog. De Belgische
communistische partij werd in het begin van de oorlog niet verboden door
de bezetter, omdat toen het niet-aanvalspact tussen Stalin en Hitler van
kracht was. Na de Duitse inval in Rusland veranderde dat. Met operatie
Sonnewende op 22 juni 1941 werden 300 Belgische communisten en
antifascisten gearresteerd en in Breendonk en Huy opgesloten. Ook
de sd werkte met Belgische
overlopers. Zo kon het grootste gedeelte van de Witte Brigade en het
Geheim Leger te Lier opgerold worden door toedoen van Eugeen Dierckx, een
verzetsman, die na zijn aanhouding betaald agent werd. Deze man is
verantwoordelijk voor de dood van tientallen verzetslieden, en werd na de
oorlog door het Belgisch gerecht ter dood veroordeeld. De straf werd niet
uitgevoerd en hij kwam later vrij. Het
symbool van de strenge sipo-ondervragingen
in België is de folterkamer van Breendonk. In september 1942 werd er in
een voormalige kruitkamer een ruimte ingericht voor de verscherpte
verhoren van de Sicherheitsdienst. Die ruimte, door de ss'ers
de bunker genoemd, werd ingericht op aanwijzing van ss Sturmbannführer Schmitt, bevelhebber van het kamp. Hoewel
er in de lokalen van de sipo/sd
in Breendonk, in de Brusselse Louisalaan en te Antwerpen en elders ook
verscherpte verhoren werden afgenomen, was de folterkamer van Breendonk
uniek in België en Noord-Frankrijk. Er werden zelfs vanuit Frankrijk
mensen aangevoerd voor ondervraging. Officieel
waren slechts 20 stokslagen toegelaten om iemand te doen spreken, maar de
voorwerpen in en de getuigenissen over de folterkamer van Breendonk
bewijzen dat men zich van de officiële richtlijnen niets aantrok. Gevangenen
werden, de handen geboeid achter de rug, met een katrol opgetrokken en
geslagen met een ossenpees, dan liet men hen vallen op een scherp houten
voorwerp; gevangenen werden ook op een tafel gebonden en bewerkt met
elektrische naalden, met brandende sigaretten of gloeiende poken; vingers
werden verbrijzeld; schedels aangetrokken met een koord met loden
bolletjes. Het
kamppersoneel mocht niet folteren, enkel de sd mocht dat. Toch was het kamppersoneel aanwezig bij de
folteringen en handelde het soms op eigen houtje. De nachtelijke
folteringen hielden de andere gevangenen wakker en waren een onderdeel van
de terreur. De kreten van de gefolterden weerklonken door het kamp als het
geluid van jankende honden, zo beschreven vele gevangenen. Hersch
Sokol en zijn echtgenote Mira, leden van het Sovjet-spionagenetwerk Rote
Kapelle, werden op 9 juni 1942 aangehouden te Maison-Laffite. Ze werden in
aparte cellen opgesloten in Breendonk en zwaar gefolterd. Hersch werd in
januari 1943 door de hond van Schmitt zodanig gebeten dat hij overleed.
Mira overleed later in Duitsland. Leden
van de sd die te Breendonk de
verscherpte verhoren leidden waren, volgens ss'er
Pellemans: Sturmbannführer Bagans, Kriminalsekretär Spaete,
Kriminalsekretär Schweins en Kriminalsekretär Gross. De
Duitse rechtbanken
in België en het Nacht-und-Nebel-decreet
De
meeste beschuldigden van daden van verzet - beschouwd als politieke
misdrijven - kwamen voor de rechtbanken van de Wehrmacht, omdat die België
bestuurde. In alle steden waar een Feldkommandantur was gevestigd zetelden
er krijgsraden, in Brussel bijvoorbeeld was er ook een voor de Luftwaffe.
Deze krijgsraad veroordeelde de leden van de Maquis de Senzeilles ter
plaatse in Breendonk tot de strop, omdat zij een misdrijf hadden begaan
tegen de Luftwaffe. Te Antwerpen zetelde er ook een krijgsraad van de
zeemacht.
Burgers
in bezet gebied die zware feiten gepleegd hadden die zeker tot een
doodvonnis leidden, werden door militaire rechtbanken berecht. De
doodstraf werd uitgesproken tegen wie de bezettende macht en de Duitse
staat bedreigde door wapenbezit, sabotage of spionage. Enkele honderden
verzetslui werden in België geëxecuteerd na een terdoodveroordeling door
de militaire rechtbanken. De
meeste politieke gevangenen uit het Mechelse werden voor de Antwerpse FK
520 (Feldkriegsgericht 520) gebracht, gevestigd op de Meir te Antwerpen.
Een aantal onder hen werd ter dood veroordeeld en omgebracht. Meestal
echter werd besloten om de gevangenen, die niet aan de voorwaarden
beantwoordden om in België te worden veroordeeld, naar Duitsland over te
brengen, waar ze door Sondergerichten of door het Volksgericht van Berlijn
konden veroordeeld worden. Omdat Adolf Hitler vaststelde dat de aanslagen
tegen Duitse militairen niet verminderden, moesten gearresteerden die niet
binnen de week konden worden terdoodveroordeeld, naar Duitsland worden
overgebracht om zo in 'nacht en nevel' te verdwijnen. Dat moest
weerstanders afschrikken en was de reden van het geheime
Nacht-und-Nebel-decreet of het decreet Keitel van 7 december 1941. Een
begeleidende brief aan de Wehrmacht stelde ook nieuwe strafmaatregelen
voor. Enkel doodstraf en terechtstelling en deportatie waren volgens het
regime adequaat voor nn-gevangenen,
Nacht-und-Nebel-gevangenen. In
november 1943 woonden drie magistraten van het Sondergericht van Essen een
vergadering bij van de militaire rechters te Brussel om de rechtspraak van
militaire en uitzonderingsrechtbanken op elkaar af te stemmen. Dat was een
gevolg van een brief van de Duitse minister van Justitie aan de
procureur-generaal van het Reichsgericht om een te strenge veroordeling
van een Belg nietig te verklaren. Na
de evacuatie van de gevangenis van Essen en de overbrenging van de
gevangenen naar Esterwegen/Papenburg, dat als nn-kamp
fungeerde, zetelde het Sondergericht vanaf 1 juni 1943 daar. Twee kamers
wisselden elkaar wekelijks af en zetelden van maandag tot vrijdag om de
dossiers sneller te kunnen afwerken. Vanaf
15 maart 1944 werd de bevoegdheid voor de zaken afkomstig uit Nederland,
België en Noord-Frankrijk overgedragen aan het Sondergericht van Oppeln.
De nn-gevangenen werden
ondergebracht in de gevangenis van Gross-Strelitz op 30 km van Oppeln. De
225 doodvonnissen, waarvan vier tegen vrouwen, werden voltrokken in de
gevangenissen van Keulen-Klingelpüts (53), Dortmund (63), Wolfenbüttel
(45), München-Stadelheim (34), Brandenburg Görden (41), Berlijn (6),
Lingen (12), Katowitze (3) en Essen (1). Tot
aan de behandeling van hun zaak door een van deze uitzonderingsrechtbanken
zaten de nn-gevangenen in
gevangenissen of gevangeniskampen. Het traject vanuit België verliep dus
vanuit de Duitse vleugels van de gevangenissen van Antwerpen en
Sint-Gillis, over Essen naar Esterwegen-Papenburg, Wüpperthal-Sonneburg,
Wolfenbüttel, Gross-Strelitz, Laband, Oppeln of eventueel nog andere
strafkampen. De nn-gevangenen die waren vrijgesproken of die hun gevangenisstraf hadden uitgezeten werden bij missieorder van okw van 25 juni 1944 overgedragen aan de Gestapo en naar de concentratiekampen gevoerd. Zo werden de gevangenen van Gross-Strelitz op 30 oktober 1944 massaal naar Gross-Rosen overgebracht; onder hen leden van De Zwarte Hand, van de Mechelse nkb en de Witte Brigade van Lier. |
|
Het verzet in België |
|
De
collaborerende partijen in de gemeentebesturen waren voor sommigen een
doorn in het oog. Zo verzamelden de stichters van de latere Zwarte Hand
reeds in de zomer van 1940 inlichtingen omtrent Duitsgezinden in hun
gemeenten. Ook kwamen er bepaalde vormen van weerstand die reeds tijdens
de Eerste Wereldoorlog hun nut bewezen hadden: inlichtingengaring,
clandestiene pers, ontsnappingslijnen... 1)
inlichtingen- en actiediensten:
militaire, politieke en economische
informatie en sabotage planden, 18.561 personen werden na de oorlog onder
dit statuut erkend; 2)
clandestiene perslui:
redigeerden en verspreidden pamfletten en
bladen, 12.128 personen werden onder dit statuut erkend; 3)
gewapend verzet:
verzetsgroepen die gewapenderhand de strijd
aangingen, 139.973 personen werden onder dit statuut erkend; 4)
burgerlijke weerstanders: heel wat burgers verzetten zich individueel,
op eigen initiatief, boden bijvoorbeeld hulp aan joden en onderduikers of
beluisterden de Engelse radio, 5)
werkweigeraars:
weigerden te werken voor de Duitse overheid en moesten
dus onderduiken, 27.129 werden onder dit statuut erkend. Van
de 66.651 joodse inwoners van ons land werden er 32.652 gedeporteerd.
34.000 ontsnapten, waarvan 25.000 in België onderdoken. Yvonne Nevejean,
directrice van het Oeuvre de l'Enfance, en haar medewerkers slaagden erin
om 4.000 kinderen te redden. Andere organisaties zoals het Rode Kruis, de
Kerk en Winterhulp speelden ook een rol in de hulpverlening aan
ondergedoken joodse families. Het
Joods Verdedigingscomité en het Mobiel Korps van het of
saboteerden de deportaties. Zo konden Yura Livschitz en Robert Maistriau
op 19 april 1943, gewapend met een pistool en een lamp te
Boortmeerbeek-Wespelaar het XXe konvooi doen stoppen. Ongeveer één op
zeven van de 1.631 personen van dit konvooi wisten te ontsnappen.
Livschitz en zijn broer werden aangehouden, opgesloten te Breendonk en
terechtgesteld op de Nationale Schietbaan te Brussel. Ook voor dit soort
van verzet kwam er geen apart statuut. Er
werden op grond van de wet van 1947 tot vandaag circa 207.993 statuten
uitgereikt voor de vijf categorieën samen. Maar leden van het gewapend
verzet verzorgden ook de illegale pers, verzamelden inlichtingen of waren
ook ondergedoken als werkweigeraars Het totaal aantal uitgereikte statuten
vertegenwoordigt dus niet evenveel individuen: weerstanders konden onder
meerdere statuten worden erkend. Het
Belgisch Legioen (later het Geheim Leger) was een initiatief van
koningsgezinde Belgische officieren die de orde wilden herstellen in een
staat geleid door een sterke vorst, Leopold III. Toen dit niet mogelijk
bleek, streed deze groep als een gehergroepeerd Belgisch leger tegen de
bezetter. De
Nationale Koninklijke Beweging was gewonnen voor het toekennen van
dictatoriale machten aan de koning. Ook de Belgische Nationale Beweging
had ultraconservatieve bedoelingen. Neutrale vaderlandslievende groepen
als de Witte Brigade en de Groep G wilden niet de Belgische
staatsstructuur veranderen, maar wél het land bevrijden. 1)
de tweede directie van het ministerie van Landsverdediging, die zich
bezighield met clandestiene acties onder leiding van Bernard en later
Marissal; 2)
de staatsveiligheid, die op papier afhing van minister van Justitie
Delfosse maar in praktijk van het kabinet van eerste minister Pierlot, die
zich bezig hield met het verzamelen van inlichtingen. Deze dienst werd
geleid door Fernand Lepage en werkte samen met de Special Operations
Executive (soe) voor de
ondersteuning van de burgerlijke weerstand; 3)
het Comité Gil. Werd na juni 1942 als clandestiene antenne van de
Belgische regering operationeel onder leiding van Walter Ganshof van der
Meersch en Charles De Visser om informatie van politieke, juridische,
administratieve, economische en maatschappelijke aard aan de regering in
ballingschap over te maken, om zo het bestuur van het land na de
bevrijding te kunnen voorbereiden; 4)
de organisatie Sokrates. De Belgische staatsveiligheid en de Britse
diensten wilden het Duitse productie-apparaat saboteren door
gespecialiseerde arbeidskrachten te laten onderduiken; daarvoor was
uiteraard financiële steun nodig. Philippe de Liedekerke en André
Wendelen werden geparachuteerd in juli en augustus 1943 om contact op te
nemen met de belangrijkste verzetsgroepen om de hulp aan werkweigeraars te
organiseren. Raymond Scheyven, directeur bij de Bank Allard, werd daarvoor
aangezocht. Per provincie werd er een verantwoordelijke aangesteld.
Sokrates, schuilnaam van Scheyven, werd de naam van de organisatie. Op een
totaal van 152.740.000 frank was 98.575.000 frank bestemd voor
werkweigeraars. 1)
Sis, Special Intelligence
Service: verzamelde inlichtingen uit de bezette gebieden; 2)
Soe, Special Operations
Executive: stelde per bezet land een chef aan die verantwoordelijk was
voor de verbinding met de lokale autoriteiten en voor de coördinatie en
organisatie van clandestiene acties in België; 3)
MI9, Military Intelligence 9: verzorgde de contacten en de financiering
van de ontsnappingslijnen; 4)
Pwe, Psychological Warfare
Executive: stond in voor de psychologische oorlogvoering. Een
Nationaal Coördinatiecomité van het Verzet, opgericht in mei 1944 met
aan de leiding Pierre Clerdent van het Bevrijdingsleger, moest de
samenwerking tijdens de bevrijding op poten zetten. Agenten,
in België gerekruteerd of vanuit Engeland in ons land geparachuteerd,
brachten regelmatig verslag uit via 'brievenbussen', afgesproken plaatsen.
De leiding van de groep verwerkte die gegevens en smokkelde of seinde de
rapporten door naar Londen. Deze inlichtingendiensten bouwden netwerken
uit over het hele land, zo kon men een globaal beeld krijgen van de
toestand in het bezette België. Het
verzamelen van inlichtingen gebeurde op allerlei manieren. Militaire
instellingen werden geobserveerd om de troepenbewegingen en troepensterkte
te kunnen inschatten; wie werkte in de oorlogsindustrie gaf gegevens door
over de productie; collaborerende bewegingen zoals de Vlaamse ss werden geïnfiltreerd om hun plannen te achterhalen. Er
waren ook groepen die krijgsgevangenen, Duitse deserteurs en joodse
vluchtelingen naar Frankrijk overbrachten. Deze lijnen werden geleid door
Belgen in Frankrijk. Zo slaagde de lijn Pat van Albert Guérisse,
bijgenaamd Pat O'Leary, erin 450 mensen te redden. Vele
vrouwen waren betrokken bij deze acties, ze zorgden voor voedsel, onderdak
en kledij. Als begeleidsters vielen ze ook minder op. Talrijke medewerkers
van ontsnappingslijnen werden aangehouden na infiltratie door de Abwehr en
stierven in de kampen. Andrée De Jongh overleefde de oorlog. De
illegale pers bestond onafhankelijk van de verzetsgroepen of was een
onderdeel ervan, en werd geschreven door enkelingen of door groepen die
reeds actief waren in de Eerste Wereldoorlog. De
eerste bladen Chut! en Le monde du travail verschenen reeds
in juni 1940. Al snel volgden La Libre Belgique, De Rode Vaan
en een hele reeks andere. In totaal verschenen er tijdens de oorlog 567
verschillende illegale kranten. De eerste publicaties werden gestencild of
gewoon verschillende keren hertikt, later werden ze op echte persen
gedrukt. Van de 95 kranten die vanaf 1940 verschenen waren er slechts
zeven Nederlandstalig en negen tweetalig; zij telden één tot vier
pagina's, en hadden doorgaans een beperkte oplage. Er
waren rechtse, katholieke, liberale, socialistische, communistische en,
voor meer dan de helft, apolitieke vaderlandslievende publicaties. De
illegale pers werd een van de belangrijkste wapens van de verschillende
verzetsgroepen. De communisten hadden De Rode Vaan/Le Drapeau Rouge,
Clarté en Strijd; de bnb
verkondigde in Stem der Belgen/Voix des Belges haar koningsgezind
en antiparlementair programma. De belangrijkste waren La Libre Belgique
en in Vlaanderen De Vrijschutter, publicaties die reeds tijdens de
Eerste Wereldoorlog verschenen. De
leiding van de Libre werkte nauw samen met de top van de
inlichtingendienst Zero. Omdat die mensen werkten bij Brufina, de holding
van de Bank van Brussel, werd het eerste gedrukte nummer 9 van april 1941
op de persen van deze bank op 3.000 exemplaren gedrukt. De krant was
koningsgezind en vaderlandslievend en aanhanger van de Belgische regering
in Londen. Leden van de Brusselse balie speelden een belangrijke rol in de
totstandkoming, ook de samenwerking met Zero duurde de hele oorlog. In het
najaar van 1941 werd de redactie aangehouden, op Struye na. Slechts een
iemand overleefde de oorlog. Vanaf
nummer 20 werd de krant geleid door William Ugeux en Mathieu De Jong,
beide advocaten, met als belangrijkste medewerkers Marie-Louise De
Lantsheere, Geneviève Pevtchin en Georges Coeckelberg en de drukker
Lielens die tot aan zijn arrestatie in mei 1942 de krant drukte (nummer
34) evenals nog tien andere illegale bladen zoals Vrij, Le Belge
en La voix des Belges. In de latere oorlogsjaren verschenen er
artikels van Ganshof van der Meersch, Hulpiau, Cassart enz. en waren er
contacten met de gemeentepolitie van Schaarbeek en Sint-Gillis, het
hoofdkwartier van de rijkswacht in Brussel en het ministerie van
Binnenlandse Zaken. De Libre maakte, naast andere officiële
documenten, bepaalde orders bekend van Van Coppenolle, collaborerend hoofd
van de Belgische rijkswacht. De Belgische regering in Londen gaf een
subsidie van 100.000 frank. In
mei 1942 leidde de infiltratie van een dubbelagent tot de arrestatie van
acht medewerkers waaronder Marie-Louise De Lantsheere en de gebroeders
Lielens. In de zomer van 1943 lokte Abwehr-agent Prosper De Zitter de
leiding in de val. Maar altijd waren er nieuwe mensen uit de advocatuur of
Zero om het werk verder te zetten. Meer
dan 2.000 medewerkers van de clandestiene pers kwamen om als politieke
gevangenen in Duitsland, waaronder vele vrouwen die zorgden voor de
redactie, stockering en verspreiding. Spoorwegpersoneel,
politiemensen, militairen, dokwerkers van Antwerpen en het personeel van
de post zetten zich als beroepsgroep bijzonder in. Zo waren bijvoorbeeld
de postmannen uit het Brusselse zeer actieve weerstanders: 74 postmannen
werden wegens verzetsactiviteiten gearresteerd, 48 onder hen werden in
Breendonk opgesloten. Op 1 september 1942 werden 39 postmannen uit het
Brusselse opgepakt door de Gestapo en dezelfde dag naar Breendonk
overgebracht waar ze ondergebracht werden in Zug 7. Hun chef, Paul-Eugène
Hermans, werd als gijzelaar gefusilleerd in Breendonk; vijf andere
postmannen stierven in dit kamp: H. Tissen, J. Bonnevalle, P. Crockaert,
S. De Greef en A. De Pondt. Na vijf, zes of zeven maanden in Breendonk
werden de overlevenden vrijgelaten. De
onvoorwaardelijke overgave van België door Leopold III op 28 mei 1940 gaf
aanleiding tot onenigheid tussen de koning, het parlement en de regering
in ballingschap. Leopold vond dat België de oorlog verloren had en een
neutrale politiek moest voeren en weigerde dus het grondgebied te
verlaten; de regering wilde de strijd verder voeren vanuit het buitenland.
De door de koning verhoopte regeling met nazi-Duitsland waardoor hij België
zou kunnen leiden en met behulp van het Belgisch leger de orde handhaven
kwam er niet; ons land werd gedurende de hele oorlog onderworpen aan het
militaire bestuur van de bezetter. Koningsgezinde
militairen trachtten reeds in het najaar van 1940 het leger te
hergroeperen en geheime milities te vormen uit de vroegere regimenten. Er
kwamen drie groepen: de beweging La Phalange van Xavier de Grunne, de
groep rond reserve-kolonel bem
Robert Lentz en het netwerk van kapitein-commandant bem
Charles Claser dat vanaf augustus 1940 het Belgisch Legioen genoemd werd.
Vanaf april 1941 smolten de drie groepen samen onder de naam Belgisch
Legioen. De strijd tegen de bezetter en voor de bevrijding van het land
werd het hoofddoel; maar ook het herstellen van de burgerlijke democratie
en zodoende ook de bestrijding van extreem links waren vanzelfsprekend
voor deze weerstanders. De
organisatie was op typisch militaire leest geschoeid met een
hoofdkwartier, vier leiders en vijf diensten, waarvan dienst Politieke
Organisatie zich bezig hield met de samenwerking met andere
verzetsbewegingen en informatie vergaarde over de collaboratie,
bewapening, genie, transmissie, gezondheid, financiën, enz. Claser
bestuurde het hoofdkwartier, Lentz kwam aan het hoofd van de krijgsmacht,
Vander Putten bestuurde de politieke organisatie en André Boereboom de
diensten. De strijdkrachten, de oc, werden hiërarchisch ingedeeld. Elk sectiehoofd koos tien
adjuncten die op hun beurt tien soldaten rekruteerden, in totaal 111
manschappen per sectie. Elk van de drie zones van ons land had een
hoofdkwartier: voor Vlaanderen was dat Gent, voor Brussel en Brabant
Brussel zelf en voor Wallonië Namen. Voor
ons onderzoek is Zone I, Vlaanderen, onder leiding van kapitein Edouard
Franckx van belang. Hoofd van de provincie Antwerpen werd in augustus 1941
kolonel Paul Housmans, hij volgde kapitein commandant William Grisar op.
Naast de mobiele Antwerpse groep waren er negen verschillende sectoren:
Antwerpen Stad, Deurne, Herentals, Wilrijk, Turnhout, Mechelen, Lier,
Arendonk en Oude God (Mortsel). Ook de groep van de Koloniale Hogeschool
onder leiding van reservekapitein commandant Laude speelde een belangrijke
rol. De
Britse militaire geheime dienst Special Operations Europe (soe),
die samenwerking nastreefde met de militaire verzetsbewegingen in bezet
Europa, parachuteerde in oktober 1941 de agenten Jean Scohier en kapitein bem
Jean Cassart. De laatste moest in het kader van Mission Hireling contact
zoeken met het Belgisch Legioen, sabotagegroepen vormen, aanslagen plannen
en bestaande verzetsgroepen ondersteunen. Van de 1.300.000 frank voor de
verzetsgroepen was 200.000 frank voor het Belgisch Legioen bestemd. De
rol van het Belgisch Legioen werd beperkt tot een militaire missie: het
Legioen moest een militaire actie voorbereiden in de kuststreek bij een
eventuele landing van de geallieerden en tezelfdertijd in het hele land
obstructie veroorzaken. Toen Claser op 8 augustus 1942 terug naar België
vertrok had de Belgische regering het plan, buiten zijn weten om, reeds
ingetrokken. Terug
in Brussel begon Claser onmiddellijk met de voorbereidingen. Hij richtte
een Belgisch Vrijkorps/Corps Franc Belge d'action militaire op en
contacteerde verschillende militaire bevelhebbers van het Belgisch Legioen
en ook van andere groepen zoals luitenant-generaal Graff, leider van de nkb
en kapitein Gaëtan Van Nooten van dezelfde groep. Er werden drie
mogelijke acties voorzien: de lokale offensieve acties, verdedigingsacties
om de offensieve acties te dekken en neutralisaties. Het Vrijkorps werd
daartoe in twee groepen opgesplitst: 1)
de actiegroep ten westen van de Schelde onder leiding van kapitein
commandant bem Leopold
Stiers, die in drie regionale eenheden verdeeld was en een doodsbrigade
onder leiding van Gustave Dumolin, in totaal 1.700 man sterk; 2)
de neutralisatiegroep ten oosten van de Schelde onder leiding van kapitein
Gaëtan Van Nooten, onderverdeeld in tien regio's en 67 sectoren, samen
1.600 manschappen en 6.000 reservisten. Willem
Frans, commandant van de regio Antwerpen BL kreeg in februari 1943 de
opdracht de provincie Antwerpen te organiseren. Er kwamen zeven sectoren
met minstens vijf groepen van zes mensen per sector. Zij moesten
sabotagedaden voorbereiden, parachutages ontvangen, parachutisten helpen
en de orders bij de geallieerde landing uitvoeren. De inlichtingen van het
BL naar en vanuit Londen werden verzorgd door de diensten Clarence en
Zero. De regering te Londen stond vijandig tegenover Claser, het Belgisch
Legioen en vooral zijn actiekorps. In
de herfst van 1942 werd het Vrijkorps geïnfiltreerd en vervolgens door
een reeks razzia's van de Abwehrstelle ontregeld. Ook het Belgisch Legioen
werd getroffen, zijn kopstukken werden aangehouden. De nieuwe leider
kolonel Bastin voerde een grondige reorganisatie door, er kwamen nu vijf
in plaats van drie zones. Het Belgisch Legioen zou voortaan Belgisch Leger
genoemd worden om de trouw aan de regering te bevestigen. Kolonel Siron
verving Claser aan het hoofd van het Vrijkorps. Bastin werd door de
Belgische regering in ballingschap ten persoonlijke titel aangesteld als
leider van het Belgische verzet op 30 december 1942. Na
infiltratie door de Abwehr, via Prosper De Zitter en Annie Girald die zich
voordeden als leden van de Belgische staatsveiligheid, werd het GL een
tweede keer zwaar getroffen. Op aandringen van de infiltranten werd een
vergadering belegd tussen de kopstukken van het Belgisch Leger en het
Vrijkorps. Tijdens die vergadering op 27 april 1943 werden ze aangehouden.
Een lijst van 200 leden van het Vrijkorps viel in handen van de Abwehr en
leidde tot 143 aanhoudingen. De
nieuwe leider van het Belgisch Leger werd kolonel Ivan Gerard. Op 3 juli
1943 werd reservekapitein Adelin Marissal geparachuteerd met de zending
Stanley. De plannen van de regering voor de geheime troepen werden later
geparachuteerd. Ze bevatten de richtlijnen voor de organisatie van het
Belgisch Leger en zijn inschakeling in de toekomstige militaire operaties.
De leiding ging akkoord en vroeg om betere wapens, betere
radioverbindingen, en tien miljoen frank per maand. Eind februari 1944
kwam het bevel in handen van kolonel Pire. Op
1 juni 1944 veranderde het Belgisch Leger van naam en werd voortaan Geheim
Leger genoemd, op bevel van Londen. De sabotagegroep Dienst Hotton werd
vanaf eind 1943 aan het Geheim Leger toegevoegd. Die dienst saboteerde de
Duitse militaire troepenbewegingen: onder meer 95 spoorwegbruggen werden
opgeblazen, 285 locomotieven en 1.365 goederenwagons, 12 bruggen, 15
sluizen en 17 tunnels werden onklaar gemaakt. Naast de sabotage was ook
het behoud van een aantal infrastructuren essentieel voor de toekomende
geallieerde opmars. De vrijwaring van de Antwerpse haven was de opdracht
voor luitenant Reniers en voor de Witte Brigade, de nkb,
Groep G en het of. Eigenlijke
militaire acties tijdens de bevrijding bleven beperkt, gezien de snelle
opmars van de geallieerde troepen. 54.314
leden werden erkend als gewapende weerstanders. Meer dan 4.000 onder hen
stierven in gevangenschap of door terechtstelling. De
Kommunistische Partij van België, de kpb,
was de enige politieke partij die volledig in het verzet stapte nadat ze
verboden werd in de zomer van 1941. De communisten in heel Europa waren
antifascisten en communisten werden reeds vanaf 1933 vervolgd in
nazi-Duitsland. Ook de Belgische communisten bestreden in de jaren '30 de
fascistische milities en velen gingen ook vechten in de internationale
brigades in Spanje. Toen op 23 augustus 1939 het niet-aanvalspact tussen
de Sovjetunie en nazi-Duitsland werd ondertekend moesten de communistische
partijen in Europa hun antifascistische reflexen onderdrukken. De kpb
werd in België als staatsgevaarlijk beschouwd maar niet verboden.
Initieel werd de capitulatie beschouwd als een goede zaak maar al snel
begon de partij weer actie te voeren voor betere werkomstandigheden en
verloning voor arbeiders en mijnwerkers. Stakingen in het voorjaar van
1941 leidden tot een reeks aanhoudingen maar de partij werd nog niet
verboden. Zo kon de sipo
gemakkelijker de actie Sonnewende van 22 juni 1941 voorbereiden. De kp
zette zich in voor de illegale pers (Le Drapeau Rouge/De Rode Vaan
en nog andere bladen) en lag aan de basis van de oprichting van het of
via Joye, hoofdredacteur van Le Drapeau Rouge, aan wie opgedragen
werd contact op te nemen met prominenten van verschillende politieke
formaties. De partij trad in haar geheel toe tot het pluralistische of.
De
partizanen, opgericht in 1941, bleven de gewapende arm van het of;
ze stonden onder leiding van communistische kopstukken als Leon Leemans,
Pierre Joye, Jean Terfve, Henri Buch, Raymond Dispy en Raoul Baligand; tot
aan zijn aanhouding was Jacques Grippa stafchef. Het korps stond onder
leiding van een nationale commandant, met een secretaris en koeriers. De
staf zorgde voor financiering, wapen- en munitievoorziening, inlichtingen,
pers (De Partizaan), omkadering van de plaatselijke groepen. Er
waren drie 3 sectoren: Vlaanderen, West-Wallonië en Oost-Wallonië. Elke
sector groepeerde een aantal korpsen. Voor ons onderzoek zijn die van
Antwerpen 033, Leuven-Brabant 034 en Heist-Kempen 037 belangrijk. De
partizanen speelden een beduidende rol bij sabotages maar werden vooral
berucht omwille van moordaanslagen op verraders, collaborateurs, Duitse
militairen en officieren van de sipo.
Dat lokte dan weer executies uit van gijzelaars waaronder vele uit eigen
rangen. In
april-mei 1942 worden twee korpsen opgericht: een Brussels korps onder
leiding van oud-Spanjestrijders telde hoofdzakelijk kp'ers
uit de jongerenbeweging. Het tweede mobiel korps, geleid door de Bulgaarse
communist Todor Anguélov bestond uit drie compagnies met joodse
strijders, opgedeeld volgens hun afkomst uit Polen en centraal Europa
(Hongarije, Roemenië en Joegoslavië). Zij saboteerden de deportatie en
voerden aanslagen uit tegen collaborerende joden. Anguélov, die
aangehouden werd op 19 januari 1943 en in Breendonk opgesloten, werd daar
op 30 november 1943 als gijzelaar gefusilleerd. Zo
goed als de hele partijleiding die actief was in het partizanenleger werd
in 1943 aangehouden en te Breendonk opgesloten. De sipo stelde een deal voor: indien de partizanen hun gewapende
acties zouden staken dan zouden zij in leven blijven. 1.200
pa-ers vielen tijdens hun
militaire acties, 3000 werden naar concentratiekampen getransporteerd. De
kp wordt soms ook aangeduid
als de partij van de gefusilleerden: vele leden werden als partizaan ter
dood veroordeeld of als gijzelaars te Breendonk - waar er van het Leuvense
korps alleen al 23 werden terechtgesteld -, op de Nationale Schietbaan of
elders in het land gefusilleerd. Velen kwamen ook om in de
concentratiekampen. De
onthoofde partij kon bij de eerste naoorlogse verkiezingen van 1946
rekenen op een hoog aantal kiezers maar verloor die weer in de volgende
Koude Oorlog. Begin
1941 vond de kpb de
oprichting van een breed front van verzet in België noodzakelijk. Pierre
Joye, Berei en Fernand Demany wilden een verzetsgroep oprichten die alle
partijen oversteeg, om met alle beschikbare middelen strijd te voeren
tegen de bezetter en de collaboratiebewegingen. De
officiële oprichting van het Onafhankelijkheidsfront (of/fi)
gebeurde op 15 maart 1941 te Elsene tijdens een vergadering met André
Boland, Albert Marteaux, Norbert Hougardy, Marcel Grégoire en René De
Cooman. De groep wilde alle medeburgers wakker schudden en tot verzet
oproepen. Het of werd geleid
door een Nationaal Comité, samengesteld uit personen van verscheidene
partijen en groepen: Norbert Hougardy voor de liberalen, Jean Terfve voor
de communisten. Marcel Grégoire was een christen-democraat en René De
Cooman was socialist, maar geen van beiden waren officieel door hun partij
afgevaardigd. Het Comité wilde de strijd voeren tegen de bezetter en de
verraders, het verzet van de verschillende ideologische strekkingen coördineren,
de economische uitbuiting en de roofbouw op de Belgische industrie en
arbeidskrachten en de collaboratie en het attentisme bestrijden, het
aannemen van een afwachtende houding aan de kaak stellen en verraders
ongenadig bestraffen. Het of
wilde ook de grondwettelijke vrijheden vrijwaren en Duitse instellingen
bestrijden, acties voorbereiden om het land te bevrijden en de democratie
te herstellen en ten slotte samenwerken met de geallieerde legers tegen
nazi-Duitsland en de Asmogendheden. De
strijdkreten 'Weg met de bezetter!' of 'Hors du Pays l'occupant!' en
'Allen samen voor de bevrijding van het vaderland!' of 'Tous unis pour la
libération de la Patrie!' werden het motto van de beweging die over heel
België verspreid was. Onder
het Nationaal Comité stond een permanent bureau dat het eigenlijke beleid
voerde. Demany werd als secretaris-generaal bijgestaan door Hougardy en
Terfve. Het comité vergaderde om de twee weken om het verzet te
organiseren en verzorgde de contacten met de geaffilieerde organisaties. Verschillende
organisaties en comités werden binnen het of
opgericht of werden ermee verbonden. Syndicale strijdcomités voerden
actie door middel van stakingen, betogingen tegen de collaborerende Unie
voor Hand- en Geestesarbeiders, stelden looneisen en voerden economische
sabotage-acties. De
onderwijscomités lomo
(Leraren Officieel Middelbaar Onderwijs) onder leiding van Aloïs Gerlo,
Leo Michielsen en anderen, bestreden de nazificering van het middelbaar
onderwijs. De
dienst Solidariteit van het of
hielp werkweigeraars aan valse papieren, rantsoenzegels, geld,
onderduikadressen, medische verzorging, enzovoort. Ook hun familieleden
werden ondersteund. Na
de eerste deportaties van joden in de zomer van 1942, kwamen het of
en andere organisaties in actie. In 1943 werd een Joods Verdedigingscomité
opgericht binnen het of,
gevormd door de samenwerking van Solidarité Juive - met communistische
achtergrond - en het zionistische Secours Mutuel en ook Belgen die met het
lot van de joden begaan waren. Justice Libre was actief in gerechtelijke
kringen, Médecine Libre in geneeskundige. In
het Jeugdfront voor de Vrijheid dat reeds werd opgericht voor het of
en geleid werd door abbé Dieudonné Bourgignon nam de Revolutionaire
Volksjeugd van de kp vanaf februari '41 een heel belangrijke plaats in. De
Antwerpse Jong-kp'er Robert
Wolsztajn werd de Vlaamse verantwoordelijke. Het Jeugdfront had een eigen
sluikblad Jong België en zijn leden waren actief in het
partizanenleger en in lomo.
De jongere leden van het of
Heist-op-den-Berg onder leiding van Henri Versluys traden in 1942 toe tot
deze groep. Als
gewapend verzet binnen het of
of in samenwerking ermee kennen we de Patriottische Milities en het
Belgische partizanenleger. De Patriottische Milities, pas begin 1944
opgericht, bestonden uit leden van alle politieke strekkingen en moesten
een strijdbare rol spelen tijdens de bevrijding. Het Belgisch
Partizanenleger was communistisch. Het
of was de grootste
leverancier van clandestiene pers, zoals reeds gezegd. Naast het blad Front
bestonden er een hele reeks van gespecialiseerde of plaatselijke uitgaven
zoals het Antwerpse België Vrij. De
Antwerpse onderwijzer Marcel Louette van de liberale jeugdbeweging de
Jonge Geuzenwacht richtte in de zomer van 1940 een verzetsorganisatie op.
Op 23 juni 1940 richtte de voormalige luitenant van de 10de compagnie van
het 36ste linieregiment uit de 18-daagse veldtocht met zijn vriend Leon
Boumans en zijn pleegdochter Maria Michiels de Geuzengroep op. Die
groepering telde vooral personeelsleden van de verschillende
stadsdiensten, van het onderwijs en het havenbedrijf. Eind 1940 was de
beweging reeds in Antwerpen gestructureerd. De naam Witte Brigade kwam pas
in 1942 in voege en verwees naar het verzet van de groep tegen de
collaboratie, tegen de zwarte brigade. De groep was typisch Antwerps, maar
had afdelingen in Aalst, Brussel, Gent, Lier, het Waasland en aan de kust.
Tijdens de bezetting gebruikte de bevolking de naam Witte Brigade voor
alle verzetsgroepen. Hoewel liberaal van oorsprong vonden leden van alle
politieke strekkingen hier een onderkomen. De
belangrijkste activiteiten waren anti-Duitse propaganda, het aanleggen van
lijsten van collaborateurs, de zogenaamde zwarte lijsten,
vaderlandslievende manifestaties op de Nationale Feestdag en op de
herdenking van de wapenstilstand, het vergaren van militaire inlichtingen
over de Antwerpse haven en over een mogelijke Duitse invasie in Engeland.
Samenwerking met de inlichtingendiensten Luc, Zero en Bravery werd op punt
gesteld om de informatie naar Groot-Brittannië over te brengen. Willy
Luyten, Van Gaver en de gebroeders Crutzen gaven vanaf eind 1940 voor de
Witte Brigade het sluikblad Steeds Verenigd/Unis Toujours uit. Bij
de jodenrazzia's te Antwerpen hielpen ze joodse families en kinderen
onderduiken. De leden waren enkel gekend onder een nummer; van de 125
leiders werden er 81 aangehouden, 40 onder hen overleden. In mindere mate
werd er sabotage gepleegd in de haven en bij de spoorwegen. De groep hield
zich ook bezig met hulp aan geallieerde piloten en Russische
krijgsgevangenen. Vanaf
eind 1943 kwamen er massale arrestaties omdat de ledenlijst tijdens een
huiszoeking was gevonden. 39 van de 58 personen die naar Duitsland werden
gevoerd overleefden hun gevangenschap niet. In Lier begonnen de
arrestaties reeds vanaf mei 1943. In januari 1944 werden 62 leden van de
politie van Deurne gearresteerd, 59 onder hen werden naar Duitsland
gedeporteerd, 42 kwamen nooit meer naar België terug. Een derde van de
Witte Brigade werd tijdens deze periode gearresteerd. De aanhoudingen van
april, mei, juni en juli 1944 leidden tot de arrestatie van Marcel
Louette, sinds juni 1942 ondergedoken samen met vele belangrijke
kopstukken. De groep speelde een belangrijke rol bij de bevrijding van de
haven van Antwerpen; de leden werkten samen met het Geheim Leger, het
Onafhankelijkheidsfront en de Groep G om de vernieling van de Antwerpse
haveninfrastructuur door het terugtrekkende Duitse leger te voorkomen. Na
de bevrijding in september 1944 werd de naam Fidelio toegevoegd aan de
Witte Brigade. Fidelio was de schuilnaam van haar aangehouden leider. Met
deze naamsverandering wilde de groep zich distantiëren van de wreedheden
begaan door verzetslui die zich als leden van de Witte Brigade voordeden
tijdens de wilde repressie kort na de bevrijding. Van
de 3.750 na de oorlog erkende leden stierven er ongeveer 400 in de
concentratiekampen. In
oktober 1940 kon de rexistische jeugdbeweging van Aarschot de collaboratie
van Rex en het vnv met
nazi-Duitsland niet langer aanzien. Mensen als Lucien Meyer en Theo Simon
richtten de turnvereniging Naar Vrijheid en Bekwaming op als dekmantel
voor hun verzetsbeweging. Op 6 maart 1941 werd dan de Nationale
Koninklijke Beweging (nkb)
officieel gesticht. De leden werden hoofdzakelijk gerekruteerd bij
studenten en onderofficieren, vooral uit de regio Leuven/Aarschot, maar
ook uit Antwerpen en Mechelen. De Leuvense professor Eugène Mertens de
Wilmars, een vroegere rexist en een leopoldist, nam de leiding.
Vooraanstaande rechtse katholieken en militairen vervoegden de beweging
zoals prins de Ligne, generaal Graff, majoor Monteyne en kapitein van
Nooten. De groep ging voor een corporatistisch regime onder leiding van
koning Leopold III, bijgestaan door een staatsraad. De top van de beweging
was tegen het gelijkheidsprincipe en de toenmalige politieke partijen. De
groep beschikte over koninklijke troepen en koninklijke wachters die de
propaganda en de orderhandhaving voor hun rekening moesten nemen. De
gewone leden waren niet op de hoogte van de verborgen agenda van de
leiding. Jongeren uit onderwijs of syndicale milieus engageerden zich. Zo
bestond de Mechelse afdeling uit zeer veel scholieren en studenten. In
juli 1941 werd Lucien Meyer aangehouden en de groep verboden. In augustus
1941 leidde een razzia te Mechelen tot de aanhouding van vele leden,
gevolgd door de tweede aanhouding van Lucien Meyer in september 1941. In
augustus 1942, na de aanhouding van Mertens de Wilmars, kwam generaal
Graff aan het hoofd van de organisatie. Later werd er samengewerkt met het
Belgisch Legioen. De
nkb ageerde tegen de
verplichte tewerkstelling en steunde de werkweigeraars, verzamelde
inlichtingen van militaire aard, gaf hulp aan ondergedoken joden en
geallieerde piloten. De organisatie had ook verschillende sluikbladen
waarvan het belangrijkste Vrij Volk was. Dit blad keerde zich
vooral tegen collaborateurs, blonk uit in huldebetoon aan het koningshuis
en publiceerde manifesten, ook die van het opposante of.
In het Leuvense werden de leden vooral gerekruteerd uit de Christelijke
Arbeidersbeweging en de Boerenbond. In Antwerpen speelden dokwerkers en
havenpersoneel een grote rol. Zij zullen trouwens een belangrijke bijdrage
leveren voor de bescherming van de haven van Antwerpen, samen met de
andere verzetsgroepen. Van
de circa 300 aangehouden leden stierven er 166 in Duitse gevangenissen en
concentratiekampen. Begin
1941 ontstond er uit de Cercle de Libre Examen aan de Université Libre de
Bruxelles (ulb) een
sabotagegroep. Hij werd opgericht door Jean Burgers, Richard Altenhoff,
Robert Leclerc, Helène Burgers-Leva en Henri Neuman en werd door de soe-agent
André Wendelen, op 26 februari 1942 geparachuteerd, uitgebouwd tot de
Groep G. Wendelen, zelf oud-student van de ulb
en ook actief in de Spaanse burgeroorlog, zocht contact met zijn oude
medestudenten om in samenwerking met de soe
sabotages voor te bereiden en uit te voeren. In het hele land werden er
groepen gevormd, de nationale leiding was in handen van Neuman, Altenhoff
en Leclerc, Jean Burgers was coördinator. Wendelen en een aantal leiders
kregen in Groot-Brittannië een opleiding van de soe.
In augustus 1943 kwam Wendelen terug met geld en materiaal om de groep
verder uit te bouwen. Met
hun acties wilde de Groep G de bezetter maximaal beschadigen en zo weinig
mogelijk represailles uitlokken. Dodelijke slachtoffers en onherstelbare
schade werden dus vermeden. De leiding van de groep plande de acties met
behulp van een aantal professoren van de ulb,
zo bijvoorbeeld de hoogleraars Cosyns, De Groote en Pelseneer. Altenhoff
was als ingenieur belast met het maken van het sabotagemateriaal. Sabotage
was vooral gericht tegen de energievoorziening, de spoor- en waterwegen.
Zo werd door de vernietiging van de sluizen van Ath en Clabecq in 1943 de
binnenscheepvaart daar maandenlang stilgelegd en ontregelde de
vernietiging van 23 locomotieven in de zomer van 1944 de Duitse militaire
transporten. Huzarenstuk was de grote stroomonderbreking (la grande
coupure): door de uitschakeling van een groot deel van de
hoogspanningslijnen verloren de Duitsers kostbare productietijd. Ten
slotte speelde Groep G ook een belangrijke rol bij de vrijwaring van de
Antwerpse haveninfrastructuur tijdens de bevrijding. Van
de 4.000 erkende leden overleden er een duizendtal in Duitse gevangenissen
en concentratiekampen. Jean Burgers, die aangehouden was op 18 maart 1944,
werd op 6 september 1944 opgehangen te Buchenwald. Richard Altenhoff,
aangehouden op 3 juli 1943, werd onder meer in Breendonk gefolterd en ten
slotte gefusilleerd op de Nationale Schietbaan te Brussel op 30 maart
1944. |
|
De
Belgische gevangenen van de Duitse gerechtelijke instanties werden in
afwachting van hun proces in de Duitse vleugels van Belgische
gevangenissen ondergebracht. Voor de Vlamingen waren dat onder andere
Sint-Gillis (Brussel), de Begijnenstraat (Antwerpen), en De Nieuwe
Wandeling (Gent). De Mechelse politieke gevangenen werden vooral in de
Begijnenstraat en in Sint-Gillis opgesloten. Wie door Duitse krijgsraden
veroordeeld was tot een kleine gevangenisstraf werd opgesloten in
Merksplas. Verzetsstrijders die in België ter dood veroordeeld werden,
werden kort na het proces, indien ze geen gratie hadden gekregen van von
Falkenhausen, hier terechtgesteld. Weerstanders uit het Mechelse werden
meestal op de schietbaan van Maria-ter-Heide, nabij Brasschaat
gefusilleerd. Verdachten
die men in België niet kon veroordelen, vielen onder het
Nacht-und-Nebel-decreet en werden naar Duitsland overgebracht in
afwachting van hun proces. Ze kwamen vooral terecht in de gevangenissen of
gevangeniskampen van Essen, Esterwegen, Wüpperthal, Gross-Strelitz; na
veroordeling in Sonneburg of Wolfenbüttel en later nog in de
concentratiekampen Gross-Rosen, Hinzert, Natzweiler-Struthof of nog
andere. Tot
14 april 1944 brachten in totaal 66 transporten 2.696 nn-gevangenen
naar de Emslandkampen. Omdat Esterwegen overbevolkt raakte, werden in
februari 1944 5 à 600 nn-gevangenen
naar Börgermoor overgebracht. De gevangenen met een nn-nummer
werden afgezonderd van de buitenwereld. 165 Belgen die in Esterwegen
verbleven werden ter dood veroordeeld. Op
10 februari 1944 beval de Reichsminister van Justitie de ontruiming van
Esterwegen. Nn-gevangenen
moesten naar Silezië om daar door het Sondergericht van Oppeln
veroordeeld te worden. Het eerste grote transport van maart 1944 telde 900
gevangenen.
In
de nacht van 30 januari 1945 werden op bevel van de Gauleiter en de
commissaris van landsverdediging door een ss-detachement
van Frankfurt onder leiding van Hauptsturmführer Nickel 819 gevangenen
met een nekschot omgebracht: Belgen, Fransen, Nederlanders, Luxemburgers,
Noren, Polen, Bulgaren, Joegoslaven, Tsjechoslovaken en Sovjetburgers. De
twee hoofdschuldigen: ss
Obersturmbannführer Heinz Richter, gestapochef van Frankfurt a/Oder en
Nickel werden vrijgesproken door het assisenhof van Kiel op 27 augustus
1971, wegens gebrek aan bewijzen. Na
de opschorting van het nn-decreet
werden 600 gevangenen naar het concentratiekamp Sachsenhausen
overgebracht. Hendrik van Beneden van De Zwarte Hand overleed daar. Het
eerste konvooi met 900 gevangenen uit Strafgefangenenlager VII Esterwegen
kwam aan op 15 maart 1944, op 15 april kwam een konvooi aan uit Hameln, op
21 april een konvooi met dertig personen uit Brussel, op 18 april een
konvooi met 310 gevangenen uit Esterwegen, op 27 april 71 personen uit
Hameln en op 20 en 25 mei 80 personen uit België, zowel mannen als
vrouwen. Op 20 december werden 69 nn-gevangenen
overgedragen aan de Gestapo en naar de concentratiekampen gevoerd. In
Gross-Strelitz kwamen ook vrouwen uit andere gevangenissen en kampen: van
Kreuzburg, Gommeren, Oppeln en Buchenwald. Sommige vrouwen bleven in
Gross-Strelitz opgesloten, 27 onder hen werden overgebracht naar de
staatsgevangenis van Oppeln. Op 18 januari 1945 was de jongste gevangene
de 15-jarige Antwerpse Lucie Josephine Rouse. Op
13 mei, 6 juni en op 15, 22, 23 en 29 september 1944 werden vrouwelijke
gevangenen overgebracht naar Sonnenburg. Op 20 mei en op 3 juni 1944
werden er respectievelijk 27 en 55 gevangenen overgebracht naar de
gevangenis van Oppeln. Konvooien met vrouwen vertrokken in het najaar ook
nog naar de gevangenissen van Graz, Potsdam en Brig, Dachau, Wolfenbüttel,
Esterwegen, Papenburg, Sachsenhausen, Kaisheim en Gross-Rosen. Het
grootste vrouwenkonvooi, 900 gevangenen, vertrok op 30 oktober 1944. In
december 1944 en januari 1945 volgden nog evacuaties naar de gevangenis
van Bautzen en Gross-Rosen. De werkkampen van Gross-Strelitz, Laband en Blechhammer telden minstens 31 dodelijke slachtoffers onder de nn-gevangenen, waaronder 28 Belgen.
|
|
Vandaag
denken we bij 'concentratiekamp' quasi ogenblikkelijk aan het
vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau en de uitroeiing van miljoenen
(ongeveer 6 miljoen) joden. Maar concentratiekampen waren geen
uitroeiingskampen: ze dienden om politieke tegenstanders en andere
ongewensten uit de samenleving te bannen en via strenge tucht en zware
arbeid weer om te vormen tot ordentelijke burgers. In uitroeiingskampen
zoals die van Auschwitz-Birkenau, Treblinka II, Sobibor... wilde het
nazi-regime op systematische en efficiënte manier joden en zigeuners
ombrengen, deze volkeren moesten gewoonweg verdwijnen. Dat onderscheid
neemt echter niet weg dat sommige kampen beide functies vervulden, en dat
er in sommige concentratiekampen ook gaskamers waren. Vernietigingskampen
werden ingericht vanaf eind 1941, de meeste werden opgericht na de Wannsee
Conferentie van 20 januari 1942. Vanaf toen gebeurde de planmatige
uitroeiing in speciaal ingerichte gaskamers op industriële wijze, ter
vervanging van de vroegere massale executies van joden door de vier
Einzatsgruppen in de Sovjetunie. Deze kampen ressorteerden onder afdeling
IV B 4 van het rsha. De
concentratiekampen daarentegen hingen vanaf maart 1942 af van de
Wirtschaftsverwaltung Hauptamt onder ss-generaal
Oswald Pohl. Ze werden ingezet in de oorlogseconomie. Eicke
richtte ook de speciale paramilitaire opleiding in voor de ss-bewakers
van Dachau. De geofficialiseerde terreur die de kampbewaking vanaf toen
kenmerkte, verving de chaotische wreedheid van voordien. Deze eerste
speciaal opgeleide ss-bewakers
zullen later promotie maken en de leiding krijgen over grote
concentratiekampen. De Emslandkampen werden vanaf 1934 aan het ministerie
van Justitie overgedragen (behalve Esterwegen) en omgevormd tot het
strafgevangenenkamp Papenburg met verschillende afdelingen of commando's.
Na de nacht van de lange messen speelde de sa geen noemenswaardige rol meer, maar leverde wel tot het
einde van de oorlog bewakers voor de Emslandkampen. Vanaf
maart 1937 werden ook andere 'vijanden van het volk' zonder enige vorm van
proces opgesloten, mensen die niet pasten in het systeem: homoseksuelen en
travestieten, getuigen van Jehova (want die wilden geen eed van trouw aan
de Führer afleggen), asocialen zoals bedelaars en landlopers, zigeuners,
gauwdieven, pooiers... Het Schutzhaft-decreet van 25 januari 1938 maakte
het bestaan van concentratiekampen officieel. Gewoontemisdadigers werden
na het uitzitten van hun straf eveneens opgesloten in de kampen, waar ze
groene driehoeken en in een aantal gevallen beruchte kapo's - bewakers -
werden. Na
de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938, een georkestreerde reactie op
de moord op Ernst von Rat, de derde secretaris van de Duitse ambassade in
Parijs door Herschel Grynszpan, werden ongeveer 30.000 joden opgesloten,
hoofdzakelijk in Buchenwald, Sachsenhausen en Dachau. Honderden lieten er
het leven, na drie maanden werden de anderen vrijgelaten op voorwaarde dat
ze het land verlieten. Vanaf
deze periode kreeg de dienst Arbeitseinsatz een vertegenwoordiging in elk
kamp. Grote kampen als Buchenwald, Dachau en Sachsenhausen werden
opgericht of uitgebreid, kampen werden aangelegd op economisch belangrijke
sites zoals bijvoorbeeld nabij de steengroeven van Mauthausen en
Flossenburg. Daar werden dan de stenen gekapt voor de grote, door Speer
uitgetekende bouwprojecten in Berlijn en andere grote steden. Ss-ondernemingen als de Deutsche Erd und Steinwerke (dest)
richtten afdelingen op in en om de grote kampen, de gevangenen werden
goedkope arbeidskrachten. Later zullen privé-bedrijven als ig
Farben, Krupp, aeg en Siemens
deze ss-bedrijven
overvleugelen. De Schutzhäftlingen werden slaven voor de Duitse
oorlogseconomie. De leuze van de kampen, 'Arbeit macht Frei', was een
cynische aanfluiting van de realiteit. In maart 1942 ging de algemene
leiding en het beheer van de kampen over naar de wvha
en op 30 april 1942 besloot Pöhl tot de Arbeitseinsatz: de totale inzet
van de gevangenen in de oorlogsindustrie. Na 1939 werd het een
ongeschreven regel dat al wie in een concentratiekamp zat, daar zou
blijven tot het einde van de oorlog. In
1939 waren er 37 officiële concentratiekampen (kz's)
in Duitsland met 21.400 gevangenen waarvan de helft geen politieke
gevangenen waren, maar asocialen. In januari 1945 waren er 750.000
gevangenen, waaronder 200.000 vrouwen. Bij de bevrijding der kampen telde
men 600.000 gevangenen. De
Duitse verovering van grote delen van West- en Oost-Europa had de
oprichting van een netwerk van grote concentratiekampen en bijbehorende
commando's tot gevolg: de staatsvijanden en ongewenste groepen uit de
veroverde gebieden moesten eveneens geïnterneerd worden. Het rsha gebruikte de lokale gevangenissen om hechtelingen of Häftlingen
op te sluiten in afwachting van hun deportatie. Het symbool van deze
gevangenneming voor België was het kamp van Breendonk, Auffanglager (al)
Breendonck, waar aanvankelijk zowel asocialen als joden als politieke
gevangenen werden opgesloten. De
grote kampen waren: Buchenwald, Mauthausen, Dachau, Gross-Rosen, Ravensbrück,
Neuengamme, Flossenburg, Sachsenhausen, Stütthof en Bergen-Belsen. Met
uitzondering van Stütthof zaten de politieke gevangenen uit het
arrondissement Mechelen in al deze kampen. De
overlevingskansen van de gevangenen in de kampen verschilden van kamp tot
kamp. In Buchenwald overleefde 75%. In Ravensbrück overleefde slechts
30%: van de 130.000 gevangenen, voor het merendeel vrouwen, overleefden er
slechts 38.000 de oorlog. Het gemiddelde schommelde rond 50%. Nadat
Theodor Eicke op 26 juni 1933 het bevel van het kamp overnam werd het
arbitraire geweld vervangen door georganiseerde terreur. Dachau werd een
'Schüle der Gewalt'. Het regime stond model voor alle latere kampen, zijn
reglement werd door alle concentratiekampen overgenomen toen Eicke in 1934
inspecteur van de kampen werd. Het
bekende blauwwitte streepjespak werd hier, net als in alle Duitse
concentratiekampen gedragen, een kenteken in de vorm van een omgekeerde
driehoek kwam op de linker borstzak, eronder het nummer van de gevangene.
Elke gevangene verloor zijn identiteit en werd een nummer.
De
kleur van de driehoek identificeerde de gevangene: een politieke gevangene
had een rode driehoek, een misdadiger een groene, een getuige van Jehova
een paarse, een emigrant een blauwe, een homoseksueel een roze, een
asociale een zwarte, een jood een gele... Een tweede rechtopstaande
driehoek bovenop de eerste diende om speciale groepen aan te duiden, zoals
bijvoorbeeld: een joodse politieke gevangene, een homoseksuele asociaal
enz. In de driehoek stond ook een letter voor de nationaliteit, zoals B
voor België of F voor Frankrijk. Wie gepoogd had te ontvluchten kreeg een
schietschijf op de rug van zijn vest genaaid. Himmler besliste persoonlijk
dat priesters te Dachau moesten worden opgesloten. De
gevangenen moesten het kamp inrichten en moesten ook wegen aanleggen. Die
zware slavenarbeid moest hen omscholen tot modelburgers. Tijdens
de Tweede Wereldoorlog werd Dachau een nog groter oord van verschrikking
voor de nieuwe buitenlandse gevangenen. Zo werden er bijvoorbeeld vanaf
oktober 1941 tot april 1942 te Dachau en op de nabijgelegen executieplaats
Herbeshausen ongeveer 6.000 krijgsgevangenen uit de Sovjetunie vermoord.
Ook werden vanaf januari 1942 vanuit Dachau invaliden naar de
euthanasie-inrichting Schloss Hartheim bij Linz getransporteerd. Bij deze
Sonderbehandlung 14F13 werden circa 3.000 zieken, arbeidsongeschikten en
joden omgebracht.
In
het kader van de Arbeitseinsatz kwamen er 169 verschillende Aussenlager
(buitenkampen), nabij bedrijven als bmw,
Messerschmitt en Dornier. De gevangenen werden zodoende in de
wapenindustrie en de vliegtuigbouw ingezet. Na
de ontruiming van de oostelijk gelegen kampen en commando's kwamen er
tussen januari en april 1945 30.958 nieuwe gevangenen in Dachau aan. Het
kamp zat toen overvol. In plaats van 208 personen per barak zaten er toen
1.600. Op
14 april 1945 gaf Himmler het bevel tot ontruiming van Flossenburg en
Dachau. Op 23 april begon de evacuatie: op 27 april marcheerden 7.000
personen het kamp uit, een van de beruchte dodenmarsen was begonnen. Het
Amerikaanse leger bevrijdde het kamp op 29 april 1945. Op dat ogenblik
bevonden er zich nog meer dan 67.000 gevangenen in het kamp, de helft
verspreid over de commando's. Als
ontbijt kregen de gevangenen een halve liter namaakkoffie of thee. Daarna
was er appel. De gevangenen werden geteld terwijl ze in de houding en in
het gelid stonden, in weer en wind met ontbloot hoofd. Dat gebeurde
dagelijks in elk concentratiekamp en kon uren duren. Het geweld dat met
het appel gepaard ging kostte vele mensen het leven. Later, toen de
arbeidstijd te kostbaar werd, werden de appels ingekort. Na
het appel vertrokken de gevangenen naar hun werk. Een gevangene moest van
6 tot 18 uur werken, de verplaatsingsduur niet inbegrepen. Sommigen
moesten kilometers te voet naar hun werkplaats. Aan een hels tempo moesten
zij de werkplaatsen inrichten, onderdelen van vliegtuigen fabriceren,
raketten en munitie maken. Het
middagmaal bestond uit een liter waterig afkooksel van knolrapen en
wortelen en een stukje brood. Bij bijzondere gelegenheden kregen de
gevangenen soms een beetje vlees. Ongeveer
2.000 Belgen zouden in het kamp van Dachau gezeten hebben. Op 26 april
1945 waren er nog 989 Belgen in het kamp, officieel zijn er 460 gestorven. In
de herfst van 1941 werden er 12.000 Sovjetkrijgsgevangenen omgebracht door
executie met de kogel en in rijdende gaskamers. In 1942 werd er een
crematorium ingericht en een terechtstellingsplaats. Later werd er een
gaskamer bijgebouwd dat 'station z' werd genoemd. Vanaf
1942 werden er een honderdtal commando's opgericht ten behoeve van de
wapennijverheid en de vliegtuigindustrie, bij Heinkel Flugzeugwerke in
Oraniënburg, voor Siemens en aeg.
Berucht was het strafkommando kz
Aussenlager Klinkerwerk, dat het Toteslager was van Sachsenhausen. Hier
werden de gevangenen langzaamaan vermoord door de zware arbeid of
omgebracht door de ss. Begin
1945 telde het kamp 80.000 gevangenen, waarvan 58.000 in het basiskamp
Oraniënburg. Om
aan het oprukkende Rode Leger te ontkomen werd het kamp vanaf 21 april
1945 via dodenmarsen geëvacueerd. Zo werden 33.000 gevangenen,
onderverdeeld in groepen van 500, naar de westelijke concentratiekampen
Mauthausen en Bergen Belsen overgebracht. Op 22 april bevrijdde het Rode
Leger de laatste 3.000 gevangenen van het kamp. In
1944 waren 90% van de gevangenen buitenlanders. Er werden ongeveer 200.000
gevangenen geregistreerd, waarvan er ongeveer 33.000 de oorlog niet
overleefden. Er werden 7.792 gevangenen uit België geregistreerd. Ook de
laatste transporten van 30 augustus 1944, na de ontruiming van Breendonk,
kwamen via Vucht in Sachsenhausen terecht. Het
allereerste konvooi van Belgische politieke gevangenen naar een Duits
concentratiekamp vertrok op 22 september 1941 en arriveerde in Neuengamme
op 24 september 1941: 107 gevangenen uit Breendonk en 150 uit Hoei. In de
winter van 1941-1942 eiste een vlektyfusepidemie het leven van 1.600
gevangenen, waaronder talrijke Belgen. Ondervoeding, ziekte, geweld en
uitputting door de zware arbeid eisten een hoge tol. Bovendien stierven
nog vele gevangenen door executie, medische experimenten en vergassing.
Van de 107 uit Breendonk overleefden er 89 de oorlog niet. In de herfst
van 1944, voor en tijdens de ontruiming van Breendonk, vertrokken er
opnieuw konvooien waarvan de meesten op 2 september 1944 aankwamen, met in
totaal 218 gevangenen. Na
een dagenlange voetmars en treinreis uit Neuengamme scheepten eind april
1945 10.000 gevangenen te Lübeck in op de Cap Arcona, de Tibeck en de
Athena, met bestemming Zweden. Op 3 mei 1945 werden de twee eerstgenoemde
schepen per vergissing door Engelse vliegtuigen gebombardeerd: ongeveer
7.500 gevangenen aan boord stierven, waaronder een tweeduizendtal Belgen.
In
het kamp kwamen politieke gevangenen, criminelen, asocialen, getuigen van
Jehova en homo's terecht. Na de Kristallnacht werden er tienduizenden
joden gedurende enkele maanden opgesloten. Eind 1938 waren er reeds 11.028
gevangenen. Na de Oostenrijkers in 1938 waren de Tsjechen en Polen de
eerste buitenlandse gevangenen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen er
gevangenen vanuit heel bezet Europa terecht. Vooral Russische
krijgsgevangenen kregen het er erg te verduren, vele werden er
gefusilleerd. Op
24 augustus 1944 werd het kamp zwaar gebombardeerd: 384 gevangenen
stierven en 1.462 werden gewond, waarvan 600 ernstig. De gerechtelijke
dossiers van de gevangenen gingen in de vlammen op. Heel wat gevangenen
ontsnapten aldus aan een gewisse dood, zoals André Wynen, omdat zij zo
aan een proces ontsnapten. Jean Burgers, leider van de Groep G, werd in
september 1944 opgehangen. Eind
1944 waren er in het kamp en zijn 86 commando's 63.048 gevangenen. In
februari 1945 kwamen te Buchenwald meerdere konvooien aan met gevangenen
van Poolse kampen. Eind maart 1945 waren er 50.000 gevangenen in het
moederkamp en 20.436 in 107 commando's. In
de namiddag van 11 april 1945 nam het internationaal comité
gewapenderhand de macht over. Om 15 uur vielen ze aan en om 16.45 uur was
hun zege een feit. Op 12 april defileerden de gevangenen, per
nationaliteit, op de appelplaats. Op 13 april nam het Amerikaans leger het
beheer van Buchenwald over. Er waren op dat ogenblik nog 622 Belgen in het
kamp. Vier
konvooien uit België brachten van mei tot augustus 1944 3.261 gevangenen
naar Buchenwald, waaronder 3.097 Belgen. 1.651 van deze Belgische
gevangenen kwamen in Dora terecht, 369 in het commando Blankenburg. Het
eerste konvooi vertrok per goederentrein uit het station van Willebroek
met 641 gevangenen van Breendonk, in de ochtend van 6 mei 1944. In het
station van Schaarbeek werden wagons met gevangenen van Sint-Gillis
aangekoppeld. Er waren in totaal 967 gevangenen aan boord, waaronder 923
Belgen. Ze kwamen te Buchenwald aan op 8 mei 1944. Er werden 48 gevangenen
per wagon vervoerd, opeengeperst en rechtstaande, zonder sanitair, met als
proviand slechts enkele broden en een emmer water. Het tweede konvooi
vertrok op 23 mei 1944 met 893 gevangenen, waarvan 849 Belgen. De derde
groep vertrok op 19 juni 1944 met 574 gevangenen, waarvan 536 Belgen, 40
uit Breendonk. Groep vier vertrok op 8 augustus 1944 met 827 gevangenen,
789 Belgen waarvan 90 uit Breendonk. In
totaal verbleven er 5.745 gevangenen uit België afkomstig in Buchenwald
of zijn commando's, zoals te Essen waar ze puin moesten ruimen na
geallieerde bombardementen, te Holzhof, waar ze voor de Wehrmacht werkten
of te Halberstadt, waar ze vliegtuigen recupereerden. Vele
Belgen lieten het leven te Buchenwald, onder hen de liberale oud-premier
Paul-Emile Janson die in 1944 aan dysenterie bezweek. Van de 250.000
gevangenen die in Buchenwald werden opgesloten, overleden er 50.000. Het
uitkappen en dynamiteren van de tunnels in erbarmelijke omstandigheden
veroorzaakte hoge sterftecijfers. Zeker 148 Belgen stierven in Dora. Wie
zich voordeed als technisch geschoold kon soms aan de onmenselijke
tunnelarbeid ontsnappen en in de productie werken. Maar de gevangenen
wisten dat de V1's en V2's bedoeld waren om de grote steden in bevrijd
West-Europa te verwoesten en ze saboteerden de werkzaamheden. Wie betrapt
werd wachtte de strop. Onder
de dertig commando's en Aussenlagers waren de bekendste Ellrich,
Harzungen, Nordhausen Boelcke Kazerne en Blankenburg. In dit laatste
commando waren 72% van de gevangenen Belgen.
In
totaal werkten er ongeveer 60.000 gevangenen in Dora-Mittelbau en zijn
commando's tot begin april 1945. 20.000 mensen kwamen om in het kamp of
tijdens de evacuatie, waaronder 1.241 Belgen. We kennen de namen van 2.184
Belgen, maar men schat dat er minstens 2.500 in Dora-Mittelbau waren. Van
de vier konvooien die in de lente en zomer van 1944 vanuit België in
Buchenwald aankwamen, kwamen er 2.020 personen in Dora en haar
buitenposten terecht. Op
4 april 1945 begon de evacuatie van het complex Dora-Mittelbau, te voet of
per trein, om het naderende Amerikaanse leger te ontlopen. Duizenden
gevangenen lieten daarbij het leven. Bovendien eisten de bombardementen
van 3 en 4 april 1945 een hoge tol. Het Amerikaanse leger telde bij
aankomst 1.278 slachtoffers in de ruïnes van Boelcke Kazerne, dat vooral
als 'Vernichtungslager' (vernietigingskamp) voor de zieke gevangenen
diende. Een groot aantal politieke gevangenen uit Lier en
Heist-op-den-Berg, leden van De Zwarte Hand, die door hun jarenlange
lijdensweg in gevangenissen en kampen 'Muselmänner' werden genoemd
(mensen die totaal lethargisch waren geworden, levende lijken), kwamen
hier aan hun einde.
Een
apart Schutzhaftlager werd binnen het kamp gebruikt om 2.000
Sovjetkrijgsgevangenen op te sluiten. Het grootste deel ervan werd
uitgemoord. De
evacuaties uit de oostelijke kampen leidde ook hier tot een grote
toestroom van gevangenen in het voorjaar 1945. Vanaf maart 1945 werd het
kamp geëvacueerd met de trein of gewoon te voet. Op 23 april werd het
kamp door de geallieerden bevrijd. Tussen
1938 tot 1945 waren er ongeveer 100.000 gevangenen ingeschreven in dit
kamp en zijn commando's: 30.000 mensen overleefden de oorlog niet.
Daarenboven kostten de evacuaties nog talrijke bijkomende levens. Ook vele
Belgen kwamen hier nooit meer vandaan. Op
30 april 1943 werd een deel van het kamp door de ss
tot Judenlager omgevormd. Tienduizend Europese joden werden hier geïnterneerd
om ze te kunnen ruilen tegen Duitsers die gevangen werden gehouden door de
geallieerden. In juli 1943 kwam het eerste transport met Poolse joden aan
en duizend mensen werden in 1944, na de opstand in het getto van Warschau,
in Bergen-Belsen opgesloten. Eind juli 1944 telde het kamp reeds 75.000
joodse gijzelaars. De grootste groep was van Nederlandse afkomst. Het kamp
was in verschillende onderdelen opgedeeld. De grootste afdeling was het
Sterrenlager: hier moesten joden in burgerkledij, met de jodenster
opgespeld, haast zonder eten werken. In het Neutrallager zaten joden van
neutrale landen, ze moesten niet werken. In het Sonderlager zaten Poolse
joden. In het Hongaarse Lager zaten 1.683 Hongaarse joden. In juli en
september 1945 mochten ze tegen betaling naar Zwitserland. Slechts
357 personen werden via een ruil vrijgelaten. De beroemdste gevangenen van
dit kamp waren de zusjes Margot en Anne Frank, die allebei in maart 1945
aan tyfus overleden. In augustus 1944 werd een Zeltlager ingericht voor
duizenden Poolse en Hongaarse jodinnen, die later verspreid werden over
verschillende commando's en andere kampen. In oktober-november 1944 kwamen
er zo'n 8.000 joodse vrouwen uit Auschwitz aan. Het kamp telde op 2
december 1944 15.257 gevangenen. In
de eerste weken van april 1945 arriveerden nog duizenden gevangenen, te
voet, vanuit Neuengamme en andere kampen. Ook uit Mittelbau kwamen nog
eens 25 à 30.000 gevangenen aan. Ze stierven als vliegen. Na de
bevrijding van dit kamp ontdekte het Engelse leger de massagraven en
brandde de barakken af om de epidemieën te bestrijden. Vele
Belgische politieke gevangenen kwamen vanuit andere concentratiekampen in
Bergen-Belsen terecht en stierven er. De vroegere Belgische minister van
Binnenlandse Zaken Arthur Vanderpoorten was een van hen. Verder
waren er nog de experimenten van dokter Richter: hij injecteerde
gevangenen met allerhande producten en verwijderde organen of delen van
organen om hun overlevingskansen te bestuderen. Bovendien experimenteerde
het ss-instituut voor hygiëne
met tyfus en cholera om vaccins te bekomen. Zoals
ook in Sachsenhausen werd er op 11 juni 1942 in dit kamp een
gevangenenbordeel geopend: tien vrouwen werden vanuit Ravensbrück
overgebracht, ze moesten zich prostitueren voor de gevangenen onder de
loze belofte na zes maanden vrijgelaten te worden. De klanten moesten 2
mark betalen: 0,5 mark ging naar de vrouw, de rest ging naar de ss
Wirtschaftverhaltung. Op
15 september 1944 werd Mauthausen ook een officieel concentratiekamp voor
vrouwen. Ruim 8.500 vrouwen werden aan het werk gezet in munitiefabrieken,
herbebossingsprojecten en over verschillende satellietkampen verspreid.
Talrijke Belgische vrouwen kwamen van Ravensbrück in Mauthausen terecht. In
november 1944 waren er in Mauthausen 74.000 gevangenen, waarvan 60.000 in
de 22 satellietkampen. Van de 200.000 gevangenen van het
Mauthausen-complex overleefden 100.000 de oorlog niet, 5.973 mensen werden
er vergast. Op 5 mei 1945 werd Mauthausen bevrijd.
Van
oktober 1943 tot februari 1944 was er een apart en zeer streng werkkamp
van de Gestapo van Breslau dat 4.200 gevangenen telde. Er werden ook 2.500
Sovjetkrijgsgevangenen terechtgesteld. In 1944 werd het kamp uitgebreid en
telde toen een honderdtal commando's in Silezië en Sudetenland. De
belangrijkste waren Breslau, Fünfteichen, Dyhernfurth en de kampen
gelegen in het Sowigebergte. Ze werden ingeschakeld in de
oorlogsindustrie. Het commando Brünnlitz in Sudetenland is bekend omdat
daar de 1.100 zogenaamde Schindlerjoden tewerkgesteld waren, nadat ze
gered werden uit kz Plaszow. Begin
1945 waren er 76.728 gevangen waaronder iets minder dan 26.000 vrouwen,
als gevolg van de evacuatie in de herfst van 1944 van 60.000 joodse
gevangenen uit Auschwitz. Eind januari 1945 besliste ss-Obergruppenführer
Schmauser tot de evacuatie van het kamp, de meesten werden overgebracht
naar Dora-Mittelbau, Flossenburg en Buchenwald. Velen overleefden het
transport in de verschrikkelijke winterkoude niet. Het kamp telde in
totaal circa 125.000 gvangenen, waarvan 40.000 overleden.
Van
1939 tot 1945 werden er 132.000 vrouwen en kinderen en 20.000 mannen
opgesloten, 1.000 meisjes in Uckermark. Er waren gevangenen van twintig
verschillende nationaliteiten vanuit heel bezet Europa: onder andere
joodse vrouwen waarvan een belangrijke groep uit Hongarije en zigeuners
waarvan 5 à 6.000 werden omgebracht in een op het einde van 1944 speciaal
ingerichte gaskamer. Honger, epidemieën, medische experimenten,
vergassingen en terechtstellingen, inspuitingen met fenol... eisten ook
hier een zeer hoge tol. Twee derde van de gevangenen overleefden het niet.
7.500 gevangenen werden door het Rode Kruis naar Zwitserland en Zweden geëvacueerd.
Tienduizenden vrouwen moesten te voet naar het noorden. Op 30 april 1945
bevrijdde het Rode leger de 3.000 overgebleven zieke gevangenen. Bijna
alle Belgische vrouwelijke politieke gevangenen zaten in dit kamp,
ongeveer 2.000 in totaal. De
gevangenenarbeid van Breendonk werd nooit ingepast in de Duitse
oorlogsindustrie, maar het kamp had wel een economische impact. Er zijn
vele facturen bewaard van particulieren, winkels en bedrijven die
regelmatig diensten en producten leverden zoals het smalspoor en de
kipwagentjes, bedden en beddenstro, prikkeldraad voor de omheining, een
naaimachine, de toog van de kantine, de keukeninrichting of hout voor de
bouw van de barakken. Bouwondernemingen bouwden de barakken, de nieuwe
ziekenboeg, stallen, latrines, douche- en badruimten, een garage,
soldatenkwartieren buiten de omheining van het fort, het kantoortje op de
binnenkoer. In totaal voor ruim zes miljoen frank, een enorm bedrag toen.
Heel wat mensen wisten dus wel degelijk wat er in Breendonk gaande was. De
volledige kosten van de inrichting werden gedragen door de gemeente, zoals
blijkt uit de nog niet gepubliceerde bundel van 541 militaire opeisingen
ten laste van de gemeente Breendonk. Gevangenen
werden aangeduid om de tucht in de kamers te doen naleven. Die zogenaamde
'Zugführers' waren in vele gevallen handlangers van de ss
en ze mishandelden en verraadden hun medegevangenen. Zugführer Walter
Obler werd ook tot Oberarbeitsführer aangesteld, wat betekende dat hij
ook op de werkplaats terreur zaaide. En kamer 10 met Valère De Vos als
Zugführer werd in 1943-1944 zelfs 'Breendonk in Breendonk' genoemd. De
eerste gevangenen werden op 20 september 1940 door commandant Schmitt
binnengebracht. Het waren joden van vreemde nationaliteit: Bention
Galanter en Kurt Adler en een eerste communist, René Dillen, die in juli
1940 aan de Nederlandse grens was aangehouden tijdens een missie voor de
Komintern. Vitalis Verdickt, directeur van het gewestelijk bureau Gent van
de Nationale Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Werkloosheid, aangehouden
door de Gestapo op 5 september 1940 omdat hij weigerde mee te werken aan
de rekrutering van vrijwillige arbeiders voor Duitsland, kwam op 26
september 1940 binnen. Beide laatstgenoemden waren de eerste politieke
gevangenen van Breendonk. Bij de eerste zestig gevangenen van Breendonk
waren vooral buitenlandse joden, ook mensen die zich openlijk verzet
hadden, sluikhandelaars en kleine misdadigers uit Merksplas. Het
fort werd ingericht zoals de concentratiekampen in Duitsland met een
badruimte, latrines, een Revier of ziekenboeg, gevangenenkamers en
barakken, en 32 isoleercellen. In september 1942 werd een voormalige
kruitkamer als folterkamer ingericht. De eerste veldkeuken werd vervangen
door een echte keuken. Er kwamen een kleedkamer en een kleermakerij waar
de gevangenen hun plunje kregen en waar hun burgerkledij werd bewaard. Er
was ook een schoenmakerij, een smidse, stallingen voor paarden en varkens,
een moestuin en zelfs een konijnenhok. De paarden hadden namen, de
gevangenen hadden nummers. Naast burgerpersoneel werden er in al deze
diensten ook gevangenen tewerkgesteld. Die hadden het over het algemeen
beter dan de anderen. Al die diensten waren bedoeld voor het ss-personeel:
ze konden gaan paardrijden, van feestelijke maaltijden genieten en
piekfijne uniformen op maat laten maken, dit alles in schril contrast met
het hongerregime, de zware arbeid en de terreur voor de gevangenen. De
23 gekende Totesscheine, opgesteld door de Wehrmachtdokter van het kamp,
vermelden de ware doodsoorzaak niet. De eigenlijke doodsoorzaak was een
combinatie van zware arbeid, ondervoeding en geweldpleging, in die
volgorde. Wegens
het hoge sterftecijfer beval de Wehrmacht een onderzoek naar de toestand
en de voedselvoorziening van de gevangenen. Ze moesten nu regelmatig
gewogen worden; sommigen verloren tot 20 kg per maand, alleen Obler kwam
bij. Gevangene dokters hielpen de zieken en gekwetsten in de ziekenboeg,
maar de medische verzorging bleef zeer beperkt want aspirine en
jodiumtinctuur waren de enige beschikbare geneesmiddelen. We
kennen 84 namen van mensen die ter plaatse en 14 namen van gevangenen die
in het militair ziekenhuis te Antwerpen overleden. Er werden in Breendonk
minstens 164 mensen gefusilleerd, het grootste deel zonder voorafgaand
proces als gijzelaars. 21 mensen werden opgehangen. Gevangenen van
Breendonk werden ook elders terechtgesteld. 2.330
gevangenen werden naar andere kampen en gevangenissen in Duitsland en
Polen afgevoerd. Er vertrokken zeventien konvooien naar de kampen,
doorgaans vanuit het station van Willebroek. Het eerste konvooi met
politieke gevangenen uit België vertrok vanuit Breendonk op 22 september
1941 met 107 communisten of van communisme beschuldigden. 1.733 gevangenen
overleefden de oorlog niet: 53 % van de populatie van Breendonk. Er
waren minstens zeventien verschillende nationaliteiten en talrijke
statenlozen onder de gevangenen. Alhoewel Breendonk hoofdzakelijk een
mannenkamp was, waren er ook ongeveer dertig vrouwen opgesloten. Ongeveer
500 joden zaten in dit kamp; een groot aantal werd echter niet
geregistreerd omdat ze vrijwel onmiddellijk naar de Dossin Kazerne werden
overgeplaatst. Ongeveer 500 mensen werden vrijgelaten. |
|
Na
de Duitse overgave op 8 mei 1945 moesten ongeveer driehonderdduizend
Belgen die in het Derde Rijk verbleven, terug naar België worden
gebracht. Ze waren om verschillende redenen in Duitsland terechtgekomen:
sommigen hadden vrijwillig, om ideologische of financiële redenen werk
gezocht in Duitsland, anderen waren verplicht tewerkgesteld in de
oorlogsindustrie (samen circa 250.000 personen). Er waren de gevangenen
van de concentratiekampen en de raciaal gedeporteerden en ook
collaborateurs die met het terugtrekkende bezettingsleger naar Duitsland
waren gevlucht. Drie maanden na de bevrijding van de kampen in april en
mei 1945, was 97% van de Belgen door de geallieerde legers, bijgestaan
door Belgische militairen en burgers in het kader van het Belgisch
Commissariaat, gerepatrieerd. Met
de terugkeer van de duizenden politieke gevangenen en de 1.207 joodse
overlevenden van Auschwitz-Birkenau, kwamen de onbeschrijflijke
horrorverhalen van de uitroeiings- en concentratiekampen. Toen stonden
vooral de politieke gevangenen in de belangstelling. Vermits de joodse
gemeenschap in België hoofdzakelijk uit buitenlanders bestond, kregen de
joodse overlevenden minder aandacht. De politieke gevangenen kwamen uit
alle geledingen van de maatschappij en konden rekenen op politieke steun.
Al spoedig werd een Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen
opgericht in navolging van de verenigingen van politieke gevangenen die
hier na de Eerste Wereldoorlog ontstonden. Familieleden
van weggevoerde gevangenen werden reeds gedurende de bezetting zo goed en
zo kwaad het kon financieel geholpen door verzetsgroepen als het
Onafhankelijkheidsfront, de Witte Brigade en de dienst Sokrates. Immers,
de meeste politieke gevangenen waren mannen en kostwinners, hun vrouwen
hadden geen eigen inkomsten. Later, toen de overlevenden terug naar huis
kwamen, werd het duidelijk dat er een officiële regeling moest komen om
hen en hun families te ondersteunen. In 1947 werd in het Belgisch
Parlement een wet gestemd over het statuut van de politieke gevangenen, de
slachtoffers van de rassenvervolging en de verzetslui. Vanaf dan konden
politieke gevangenen of rechthebbenden van overledenen een erkenning
aanvragen en zodoende financiële, sociale, medische en educatieve steun
krijgen. Tot in 1985 werden er 41.275 Belgische politieke gevangenen
erkend, waarvan 13.958 ten postume titel. Er werden 12.894
erkenningsaanvragen afgewezen. De
veroordeling, uitschakeling of terechtstelling van politieke tegenstanders
en andersdenkenden gaat ver terug in de tijd. Zo moest de eigenzinnige
Griek Socrates de gifbeker drinken. Jezus, die een nieuwe maatschappelijke
en religieuze orde wilde in het door de Romeinen bezette Palestina, werd
veroordeeld en gekruisigd. Thomas Becket, aartsbisschop van Canterbury en
verdediger van de rechten van de Kerk, werd in opdracht van Henry II van
Engeland in zijn eigen kathedraal vermoord. Iedereen kent ook het verhaal
van de jarenlange gevangenschap van Nelson Mandela, leider van het
Zuid-Afrikaanse anc en van de
studentenrevolte op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing. Ook de
recente beelden van de concentratiekampen in ex-Joegoslavië zijn bekend.
Kortom, voorbeelden genoeg om aan te tonen dat politieke onderdrukking
geen onbekend fenomeen is. Later
zullen ook anderen, die volgens de nazi-ideologie niet in het ideale
Arische volk thuishoorden, in gevangenissen of concentratiekampen
terechtkomen, al dan niet na een veroordeling. Die mensen noemen we
'passieve' politieke gevangenen, omdat zij ongewild slachtoffers waren van
een politiek beleid. Tot die groep behoorden Untermenschen: zigeuners en
joden, personen met een afwijkende religieuze of filosofische overtuiging
zoals vrijmetselaars, getuigen van Jehova, zelfs protestanten en
katholieken, homoseksuelen en travestieten en asocialen of sociaal
onaangepasten zoals bedelaars, landlopers, werkonwilligen, gewone
misdadigers. Al
die groepen kregen in de kampen een verschillend herkenningsteken:
politieke gevangenen moesten een rode driehoek dragen, joden een gele,
homoseksuelen een roze, criminelen een groene enz. Belgische verzetslui
die werden opgepakt, werden door de nazi's ook beschouwd als 'politisch'.
Op hun inschrijvingsdocumenten van Buchenwald staat POL duidelijk vermeld. Het
is voor mij een dringende plicht daags na de zege, diegenen die het land
gediend hebben te beloonen en de lichamelijke of de materieele schade door
den vijand of door den oorlog berokkend, te herstellen. Dit is een
dringende taak die onontbeerlijk is voor den moreelen toestand en
materieelen wederopbouw van het land en het land wil deze spoedig beëindigen. Tusschen
diegenen die bijzonder onze bezorgdheid en onze erkentelijkheid verdienen,
komt een eereplaats toe aan de politieke gevangenen die door hun
toewijding, hun zelfverloochening, en hun offer, een prachtig voorbeeld
van trouw aan het land en van weerstand aan den vijand gegeven hebben. Het
wetsontwerp dat ik de eer heb u voor te leggen streeft er naar drie
doeleinden te verwezenlijken: 1°
een wettelijke erkenning geven aan den titel van politieken gevangene; 2°
in de mate van het mogelijke de lichamelijke en materieele schade die
voortvloeit uit de aanhouding of de hechtenis te herstellen; 3°
hun heraanpassing aan het sociaal leven bevoordeelen.' Voorwaarden
voor erkenning waren: minstens 30 dagen hechtenis, het voorwerp zijn
geweest van zware mishandelingen of een terdoodveroordeling, of geëxecuteerd
of vermoord zijn. Ook rechthebbenden van diegenen die geëxecuteerd of
vermoord werden, kwamen in aanmerking. Noch in de toelichting, noch in de
tekst van het wetsontwerp zelf werd iets gezegd over de slachtoffers van
raciale deportaties. De
belangrijkste zes artikelen van de wettekst luiden als volgt:
Art.
1
Komen in aanmerking voor het huidig statuut, de personen die
buiten de krijgsgevangenen gedurende de oorlog 1940-1945 werden gevangen
gezet of geïnterneerd door toedoen van den vijand of van personen die
zijn politiek of zijn oogmerken dienden, behoudens de uitzonderingen
voorzien bij artikel 5 voor zoover zij buitendien aan een der drie
volgende voorwaarden beantwoorden 1.
Een opsluiting van minstens dertig achtereenvolgende dagen ondergaan
hebben 2.
Het voorwerp geweest zijn van zware mishandelingen 3.
Ter dood werden veroordeeld of gebracht door den vijand. Hetzelfde
geldt voor de krijgsgevangenen die aan de bovenvermelde voorwaarden
beantwoorden, maar slechts voor de periode van gevangenzetting of
interneering die elders dan in een krijgsgevangenkamp geschiedde. Hebben
recht op den titel van politiek gevangene, onder degenen die op deze wet
recht hebben: 1.
De Belgen wier aanhouding het rechtstreeks gevolg is van een vaderlandsche
en onbaatzuchtige bedrijvigheid; 2.
De Belgen wier aanhouding te wijten is aan hun politieke of wijsgeerige
meening en degenen die door den vijand als gijzelaars werden uitgekozen; 3.
De Belgen die, zonder aan een der voorenbepaalde voorwaarden te voldoen,
in den loop van hun gevangenzitting werkelijk bleken bezield te zijn door
een geest van verzet tegen den vijand; Het
bewijs van de onder 1, 2 en 3 hierboven vermelde feiten, kan met alle
rechtsmiddelen geleverd worden. Art.2
De in het eerste artikel vermelde voorwaarden beoogen: 1.
De Belgen, in België of in het buitenland aangehouden wanneer zij hun
woonplaats hadden in België op het oogenblik van hun aanhouding; 2.
De Belgen, in België of in het buitenland aangehouden die in het
buitenland woonden of er een verblijfplaats hadden, voor zoover de
wetsbepalingen van kracht in het land van hun verblijfplaats of van hun
woonplaats, hun de hoedanigheid van politiek gevangene of een
gelijkaardige hoedanigheid niet toekennen en hen daarbij niet laten
genieten van de voordeelen gelijk aan die welke het voorwerp uitmaken van
deze wet. Art.3
Worden gelijkgesteld met de Belgen de overleden vreemdelingen en
vaderlandloozen wier echtgenoot de Belgische nationaliteit bezat op het
oogenblik van hun huwelijk of wier kinderen overeenkomstig artikel 6 der
wetten op de nationaliteit, samengeordend door het koninklijk besluit van
14 december 1932, den staat van Belg kunnen verkrijgen door keuze, voor
zoover zij in België verbleven op het oogenblik van hun aanhouding. 1.
De personen die veroordeeld werden voor misdaden en wanbedrijven tegen de
buitenlandsche of binnenlandsche veiligheid van den Staat, na 31 october
1940; 2.
De personen die van hun burgerlijke en politieke rechten vervallen
verklaard zijn krachtens de beschikkingen van de besluitwet van 19
september 1945 betreffende de epuratie inzake burgertrouw en dezen die van
de Belgische nationaliteit werden vervallen verklaard op grond van de wet
van 30 juli 1934 en van de besluitwet van 20 juni 1945. De aanvragen,
ingediend door personen ten laste van wie vervolgingen ingesteld worden
krachtens een der hierboven voorziene punten, worden geschorst tot
eindbeslissing van de bevoegde overheid; 3.
De personen die opgesloten werden door den vijand, wegens misdrijf van
gemeen recht ten nadeele van den vijand of van de Belgische
gevangenzetting meebrachten niet gesteld werden met het oog op den
vaderlandschen en onbaatzuchtigen weerstand aan den vijand; 4.
De personen die in het buitenland veroordeeld werden cm reden van hun
samenwerking met den vijand; 5.
De personen die door den vijand werden gevangen gezet om reden van daden
gesteld uit winstbejag, net uitzondering van die bedoeld onder 3°
van dit artikel; 6.
De personen die, zonder dwang, voor Duitschland of zijn bondgenooten
hebben gewerkt, deze personen kunnen, indien zij achteraf uitzonderlijke
vaderlandslievende diensten hebben bewezen, door de bij artikel 33
ingestelde commissie, worden ontslagen van de bij dit artikel voorziene
vervallenverklaring. 1)
kregen politieke gevangenen een erkenningskruis, met op het lint één
ster per periode van zes maanden gevangenschap; 2)
kregen rechthebbenden die minstens drie maanden gevangen zaten, een
buitengewone vergoeding van 1.500 frank per volledige maand
vrijheidsberoving. Indien ze echter tijdens hun gevangenschap inkomsten
hadden van méér dan 5.000 frank per maand, werd de vergoeding verminderd
naar gelang de grootte van deze inkomsten en de gezinslast. Een
gelijkaardige regeling was van toepassing indien de inkomsten in 1945 méér
dan 150.000 frank bedroegen. Rechthebbenden met kinderen ten laste hadden
recht op een bijzondere vergoeding; 3)
kregen rechthebbenden herstellingspensioenen, bestemd voor zieke en
invalide gevangenen; 4)
kregen rechthebbenden die minstens zes maanden hechtenis ondergingen een
bijkomende vergoeding, in schijven van 3.000 frank per semester volgens de
voorwaarden hierboven sub 2); 5)
kon men tussenkomst krijgen voor geneeskundige-, farmaceutische-,
hospitalisatiekosten of verzorging (zoals bijvoorbeeld voor protese),
veroorzaakt door de gevangenschap, indien deze een invaliditeit van
minstens 50% tot gevolg hadden; 6)
kreeg men voorrang bij het huren van een woonst bij de Nationale
Maatschappij voor Goedkope Woningen; 7)
kregen werkloze politieke gevangenen beroepsonderwijs op kosten van de
staat; 8)
kregen werklozen een verhoging van 50% van de werkloosheidsvergoeding; 9)
kregen studenten terugbetaling van onderwijskosten, als ze ten minste een
jaar gevangen hadden gezeten of ernstige mishandelingen hadden ondergaan
of ter dood veroordeeld werden. Studiebeurzen konden verkregen worden voor
het onderhoud tijdens de studie. Het
regentsbesluit van 27 mei 1947 'tot inrichting van de commissies, de
bevoegdheid en de procedure vaststellende voor de toepassing der wet van
26 februari 1947 regelende het statuut van de politieke gevangene en dezer
rechtverkrijgenden' bepaalt welke stavingsstukken bij de aanvraag
noodzakelijk zijn en institueert de eigenlijke aanvaardingscommissies, die
in de zetel van de drie hoven van Beroep en van zekere rechtbanken van
eerste aanleg gevestigd zijn. Ze
bestaan uit 9 leden: een effectieve, plaatsvervangende of eremagistraat
aangeduid door de bevoegde minister, die het voorzitterschap waarneemt;
een lid benoemd door de minister van Financiën; een verslaggevend
staatscommissaris benoemd door de bevoegde minister; zes leden volgens
artikel 33 van de wet van 26 februari 1947 aangeduid op een dubbele lijst
voorgedragen door de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en
Rechthebbenden, waarvan minstens een derde rechthebbenden zijn van
gefusilleerde of overleden politieke gevangenen, met desgevallend een
dokter als adviseur wanneer de aanvrager die minder dan 30 dagen geïnterneerd
werd, zware geweldplegingen inroept. De
commissies moeten over een griffier met de graad van opsteller beschikken
en tijdens de rechtzittingen over een deurwaarder. Om geldig te zetelen
moeten minstens vijf leden aanwezig zijn. De aanvragen dienen onderzocht
te worden door staatscommissarissen die dossiers opmaken en per zaak een
schriftelijke conclusie opstellen. De
procedure voor de commissie geschiedt door middel van geschreven stukken.
De aanvrager kan indien nodig opgeroepen worden door de commissie. De
beslissing van de commissie wordt uitgesteld indien er een gerechtelijk
onderzoek lopende is inzake de bepalingen 1°
en 2°
van artikel 5. De commissie kan alle onderzoeksopdrachten voorschrijven
die zij nodig acht. Het statuut van politieke gevangene of begunstigde
moet worden aangevraagd door de politieke gevangene, of, zo hij of zij
overleden is, door de rechtverkrijgenden. In de commissie wordt bepaald of
de aanvraag al dan niet gegrond is, en of de aanvrager recht heeft op de
titel van politieke gevangene dan wel op het statuut van begunstigde of
rechthebbende. Aanvragers
moesten bewijzen dat ze aan de voorwaarden van de wet voldeden.
Medegevangenen konden in hun voordeel of nadeel getuigen. De aanvraag
moest voor 16 september 1947, aangetekend, naar het ministerie van
Wederopbouw, Afdeling politieke gevangenen gestuurd worden. Aanvragers
moesten reeds vermelden of ze financiële steun wilden: 1)
De aanvragers van de titel van begunstigde van het statuut moesten
allerlei documenten betreffende hun identiteit, burgerlijke stand en
kinderlast voorleggen, evenals bewijsstukken over tijdstip en plaats van
aanhouding en de duur van de gevangenschap. Bovendien moesten ze op hun
eer schriftelijk verklaren dat ze niet onder de uitsluitingsoorzaken van
artikel 23 vielen, dat ze in het buitenland niet van een gelijkaardig
statuut met de daaraan verbonden voordelen genoten, en aangeven of en
hoeveel financiële steun ze tijdens de periode van aanhouding en
non-activiteit hadden genoten, en van welke steunkas het geld kwam. 2)
De aanvragers tot het bekomen van het statuut van politieke gevangene
moesten nog aan bijkomende voorwaarden voldoen. Ze moesten door alle
middelen van recht bewijzen dat ze aan een van de voorziene voorwaarden
voor het verkrijgen van de titel van politieke gevangene voldeden. 3)
De rechtverkrijgenden van politieke gevangenen en van de begunstigden van
het statuut moesten op hun eer schriftelijk verklaren dat hun
rechtsvoorganger niet onder de uitsluitingsoorzaken van artikel 5 viel,
dat ze in het buitenland niet van een gelijkaardig statuut met de daaraan
verbonden voordelen genoten, en aangeven of en hoeveel financiële steun
ze tijdens de periode van aanhouding en non-activiteit hadden genoten, en
van welke steunkas. Er moest een verklaring bijgevoegd worden van de
belastingcontroleur over de persoonlijke netto-inkomsten tijdens de
periode van gevangenschap, een over de periode van 1945, en een in verband
met de bijkomende vergoeding voorzien in artikel 11. De overlijdensakte of
de akte van vermoeden van overlijden van hun rechtsvoorganger moest worden
voorgelegd. Was die akte er niet dan moest het gemeentebestuur van de
persoon in kwestie verklaren dat de betrokkene op 16 maart 1947 nog niet
terug thuis was. Ongehuwde vrouwen moesten met bewijsstukken aantonen dat
zij het leven van de overleden politieke gevangenen hadden gedeeld. Een
niet erkend kind moest bewijzen van afstamming voorleggen. Een
afgewezen aanvrager of de Belgische staat konden in beroep gaan tegen de
beslissing. Het dossier werd dan voor de beroepscommissie opnieuw
behandeld. Deze beroepscommissie was gevestigd in Brussel en kwam qua
samenstelling in grote lijnen overeen met de aanvaardingscommissies. De
definitieve beslissingen moesten betekend worden aan de plaatselijke of
gewestelijke comités van advies. Bij
ministerieel besluit van 25 januari 1946 werden er gemeentelijke
consultatieve commissies voor politieke gevangenen ingesteld: de
Plaatselijke Onderzoekscomiteiten, die advies gaven over de voorgelegde
dossiers en onderzochten of de voorwaarden vervuld waren. Bij ministerieel
besluit van 29 augustus 1947 werd beslist een dergelijke commissie in te
stellen in iedere gemeente met minstens twintig politieke gevangenen of
rechthebbenden met een voorlopige erkenning; gewestelijke consultatieve
commissies moesten in de andere gemeenten adviseren. De
commissies moesten samengesteld zijn uit ten minste vijf personen, door de
minister van Wederopbouw benoemd, waarvan een op voordracht van het
Nationaal Werk voor Oud-strijders, Gedeporteerden en Politieke Gevangenen,
en de overige op voorstel van de Nationale Confederatie van Politieke
Gevangenen en Rechthebbenden ncpgr.
Ten minste een iemand moest rechthebbende zijn van een gefusilleerde of
overleden politieke gevangene. De commissie gaf advies over de
aanvaardbaarheid van de aanvraag. De
dossiers werden overgemaakt aan de bevoegde minister voor
Oorlogsgetroffenen. Het ministerieel besluit van 30 augustus 1947
bevestigde plaatselijke consultatieve commissies in de negen provincies;
in de provincie Antwerpen waren er 17: te Antwerpen, Mechelen, Lier,
Heist-op-den Berg, Bonheiden, Puurs... De Brusselse commissie behandelde
aanvragen van personen die in het buitenland woonden. De tijdslimiet voor
het aanvragen van het statuut werd verschillende keren verlengd. Het
gebrek aan bewijsmateriaal of aan getuigen verklaart waarom bepaalde
beslissingen gunstig waren voor families van personen waarvan we nu weten
dat ze zich niet gedragen hebben volgens de regels. De procedure was voor
sommige mensen zeker ook gewoon te moeilijk. |
|
|
|
Kaart van het arrondissement Mechelen |
| Ontstaan en activiteiten |
|
In juni 1940 besluit de koster van Tisselt, Marcel De Mol, dat hij niet langer aan de zijlijn kan blijven staan nu België bezet is door een vreemde natie en bepaalde Vlaamse partijen van het gemeentebestuur in de collaboratie stappen. Tijdens een gesprek met Staf Vivijs stelt hij voor het doen en laten van die Duitsgezinde Vlamingen te noteren om na de oorlog over voldoende inlichtingen te beschikken om collaborateurs te ontmaskeren. Staf Vivijs typt de namen op een schrijfmachine van de onderpastoor en stopt de lijsten in flessen. Ze besluiten via pamfletten het VNV-gemeentebeleid aan de kaak te stellen en gebruiken daarvoor de stencilmachine van de onderpastoor. De broer van Vivijs en zijn beste vriend Miel worden ingeschakeld bij de verspreiding. Begin augustus 1940 komen de broers Marcel en Remi De Mol, Albert De Bondt, Clement Dielis, Louis Hofmans en vijf anderen bijeen in Tisselt om een verzetsgroep op te richten. Op voorstel van Marcel De Mol wordt die 'De Zwarte Hand' gedoopt, naar analogie van de Servische verzetsbeweging CRNARUKA die aan de oorsprong lag van de Eerste Wereldoorlog (de moord op Aartshertog Frans-Ferdinand, troonopvolger van Oostenrijk en zijn echtgenote op 28.6.1914). Er wordt onmiddellijk besloten de groep uit te breiden. Geleidelijk ontstaat er zo in Klein-Brabant en omstreken een netwerk van gelijkgestemden, opgedeeld in onafhankelijk van elkaar werkende cellen van 4 personen, met telkens een verantwoordelijke. De Zwarte Hand breidt zijn activiteiten uit tot het opstellen, drukken en verspreiden van anti-Duitse vlugschriften en tot het verspreiden van nationale sluikbladen zoals La Libre Belgique, die vanuit Brussel door koeriers naar Klein-Brabant worden gebracht. In Brussel staan ze in contact met Maria Moens, die later zal worden aangehouden en 9 maanden opgesloten zal blijven. In Puurs bijvoorbeeld wordt de V van Victory op gevels gekalkt om de zogenaamde 'zwarten' erop te wijzen dat niet iedereen er van overtuigd is dat de oorlog afgelopen is. Om zich te kunnen verdedigen tijdens nachtelijke activiteiten worden wapens aangeschaft. Er wordt een radiozender opgezet om inlichtingen over de militaire infrastructuur van de Duitsers naar de geallieerden in Engeland te verzenden, zoals bijvoorbeeld over het vliegveld van Hingene: aantal manschappen en burgerpersoneel, aantal en types van de vliegtuigen, aard van de inrichting en van het verdedigingssysteem, waarop echter nooit antwoord komt vanuit Londen. Er wordt ook sabotage gepleegd, bijvoorbeeld door een kerosineketel op het militair vliegveld van Hingene. Op 21 juli 1941, de nationale feestdag, brengen Joris Verhavert, Albert De Bondt en Frans Van Beneden de radioapparatuur naar een verlaten schuur in Tisselt, waar Frans het toestel operationeel maakt. Koster Marcel De Mol heeft zelfs zijn piano meegebracht en na het spelen van het Belgische volkslied spreekt Albert De Bondt de luisteraars toe en roept De Zwarte Hand op tot verzet uit tegen de nazi-onderdrukking. Het actieterrein van de groep strekt zich uiteindelijk uit over de gemeenten Boom, Bornem, Breendonk, Puurs, Sint Amands, Londerzeel, Mechelen, Tisselt, Niel, Schelle, Liezele, Ruisbroek, Hingene, Lippelo, Oppuurs, Malderen, Merchtem, Steenhuffel, Mariekerke en Weert. Het ledenaantal stijgt tot 111. |
| Vervolging en gevangenschap in België |
|
Op 20 september 1941 loopt het fout. De eerste leden van De Zwarte Hand worden opgepakt. Bert De Mul en Jozef Thys uit Puurs worden bij het bussen van illegaal drukwerk ('De 10 Vaderlandse Geboden') door de Feldgendarmerie betrapt en in de gevangenis van Mechelen opgesloten. Op 29 september wordt Louis Houthooft uit Puurs opgepakt, maar kan 8 dagen later ontsnappen tijdens een afstapping aan zijn huis, waar hij beweerde in de tuin wapens te hebben verstopt. Hij zal niet meer worden gevat. Dagelijks volgen andere aanhoudingen. Op 24 oktober 1941 bevinden al de kopstukken van De Zwarte Hand zich, op twee na, in de gevangenis van Mechelen. De 111 leden van De Zwarte Hand hebben bij hun rekrutering een aansluitingsverklaring met naam en foto ondertekend. De SD vindt die documenten in de achterzijde van het altaar van de kerk van Tisselt. Niet iedereen aanvaardt echter die versie van de feiten. Opzoekingen en interviews door Louis Van Beneden laten besluiten dat de documenten hoogstwaarschijnlijk reeds waren ingegraven in een dijk te Puurs. Door verraad zou die plek aan de bezetter meegedeeld zijn. Op 27 oktober 1941 volgen massale aanhoudingen. Een van de twee neven Caremans uit Boom wordt ongemoeid gelaten, door een persoonsverwisseling met een neef die dezelfde naam draagt. Een deel van de arrestanten wordt rechtstreeks naar de gevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen gevoerd, een ander deel wordt verzameld in het Fort van Breendonk, waarheen ook kopstukken zoals Marcel De Mol en Clement Dielis overgebracht zijn voor ondervraging. In Breendonk worden ze met hun gezicht naar de muur van de eerste dwarsgang opgesteld. De soldaten van de Wehrmacht slaan bij de minste beweging. Marcel De Mol wordt voorgeleid voor een confrontatie en moet de hele dag blootsvoets over en weer marcheren achter zijn medestanders. Om 17 uur worden de leden opgeladen in militaire voertuigen en overgebracht naar de gevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen. Een blijft achter wegens plaatsgebrek, en wordt de volgende dag na een nacht in de cel, ook naar Antwerpen gevoerd. De lijdensweg van De Zwarte Hand was begonnen. Op 28 oktober 1941 zijn 109 leden van De Zwarte Hand in Duitse handen. Slechts 37 zullen de oorlog overleven. Vanuit de gevangenis van Antwerpen worden ze overgebracht naar een villa in de De la Faillelaan nabij het Nachtegalenpark en in keldercellen opgesloten. De ondervraging gebeurt door leden van de SD en in het Duits, waardoor de beschuldigden meestal niet verstaan wat er gevraagd wordt en zich dus niet kunnen verdedigen. Daar worden ze geconfronteerd met de bewuste aansluitingsformulieren, waardoor ontkennen natuurlijk onmogelijk is. Na hun ondervraging worden ze terug naar de gevangenis gevoerd. Op 15 maart 1942 worden ze per trein via het Centraal Station van Antwerpen overgebracht naar de gevangenissen van Sint-Gillis en Vorst. De meesten worden opgesloten in een speciaal voor hen vrijgemaakte vleugel van de vroegere vrouwengevangenis van Vorst, eerst met drie en later met vier per cel. |
| In Duitsland |
|
Op 29 juni 1942 wordt een eerste groep via het Luxemburgstation in Brussel naar de stadsgevangenis van Wupperthal overgebracht. Op 18 juli 1942 volgt de rest. In de gevangenis van Wupperthal moeten zij voor het eerst werken, voor de firma RAHM en KAMPMAN, een bedrijf dat legermateriaal levert. Per dag moeten zij in hun cel 11 paar beenstukken naaien. Op 14 en 15 januari 1943 worden 25 leden van De Zwarte Hand voor het Volksgericht Berlin gedaagd, dat zetelt te Wupperthal. Die rechtbank wordt voorgezeten door de beruchte Roland Freisler, bijgenaamd 'the hanging judge' omdat hij over zowat 1200 processen ongeveer 5000 doodstraffen uitsprak. Zestien leden van De Zwarte Hand krijgen op 15 januari de doodstraf wegens spionage, vrijschutterij en hulp aan de vijand. Negen anderen worden tot zware tuchtstraffen veroordeeld. Alle 16 ter dood veroordeelden dienen een genadeverzoek in. Slechts voor vier van hen wordt de doodstraf in een vrijheidsstraf omgezet. De veroordeelden die geen doodstraf kregen worden op 17 februari 1943 in de gevangenis van Zuchthaus Hameln opgesloten. Op 20 mei 1943 worden zij naar de gevangenis van Sonneburg overgebracht. Nadat in de nacht van 5 op 6 juli 1943 de gevangenis van Wupperthal voor een tweede keer was gebombardeerd door de geallieerden en daardoor onbruikbaar was geworden, worden alle overige gevangenen van De Zwarte Hand naar Esterwegen getransporteerd, waar ze op 7 juli toekomen. Ze missen dan al een medestander, Jozef Peeters uit Lippelo, die op 11 maart 1943 overleden was ten gevolge van tuberculose. Daar worden de ter dood veroordeelden gescheiden van de overige leden van de groep. Ze worden op 7 augustus 1943 gefusilleerd op de militaire schietbaan van Lingen-Ems, bijgestaan door pastoor Gilling. Het zijn Gilling en een van de bewakers, Wessels, die na de oorlog de juiste toedracht van dit gebeuren kenbaar maken. De 12 terechtgestelden zijn Achiel Daes, Albert De Bondt, Emiel De Cat, Marcel De Mol, Remy De Mol, Clement Dielis, Louis Hofmans, Edmond Maes, Hendrik Pauwels, Alfons Peeters, Jozef Verhavert en Jean-Pierre Vincent, in feite alle kopstukken van de groep. Zij worden begraven op Lagerfriedhof Teufelsberg, tussen de nummers 16 en 27. In Esterwegen krijgen de overige gevangenen een Nacht und Nebel (NN) nummer. Ook daar moeten ze werken voor de Duitse oorlogsmachine. Zij sorteren onder meer kogelhulzen, radio-onderdelen enz. In de herfst van 1943 sterft Hendrik Van Beneden in de gevangenis van Sonneburg. Bernard Caremans overlijdt op 24 december van datzelfde jaar te Esterwegen en Willem Van Hoof op 14 januari 1944. Twaalf anderen zullen 1944 niet overleven. Voorjaar 1945 komen nog eens 44 leden om. Op 15 maart 1944 verlaat een grote groep van de NN-gevangenen Esterwegen, en wordt per trein naar Gross-Strelitz getransporteerd. In juni 1944 worden in de kapel van de gevangenis de nog niet veroordeelde leden van de groep berecht. De aansluitingsformulieren dienen opnieuw als onomstotelijke bewijsvoering. Hun NN-statuut wordt bevestigd zodat ze na het uitzitten van hun straf niet zouden vrij komen maar verdwijnen in 'de nacht en de nevel' van de concentrationaire wereld. Anderen worden over andere gevangenissen en concentratiekampen verspreid. Wie voordien reeds in Sonneburg en Wolfenbüttel opgesloten was, komt na de ontruiming van die gevangenissen eveneens in concentratiekampen terecht. Gevangenen van De Zwarte Hand hebben de belangrijkste concentratiekampen gekend: Buchenwald, Dachau, Dora, Flossenburg, Mauthausen, Sachsenhausen en hun Kommando's. Velen laten het leven in die kampen, tijdens de transporten of de dodenmarsen. Zevenendertig onder hen keren terug. Frans Van Muylder en Willem Van der Taelen zijn zo verzwakt dat zij kort na hun repatriëring overlijden, in juli 1945. Waarom wordt een verzetsgroep die, achteraf bekeken, geen écht zware feiten heeft gepleegd veroordeeld door de hoogste rechter van nazi-Duitsland? Omdat de groep symbool staat voor een vorm van verzet die uit de bevolking zelf is gegroeid, en daarom - als voorbeeld - moet uitgeroeid worden? Met uitzondering van de leidende figuren zijn de leden van De Zwarte Hand allen jonge mannen, tieners, twintigers en dertigers die een doorsnede vertegenwoordigen van de toenmalige landelijke maatschappij waarin ze opereerden. Of is het omdat hun niet aflatende pesterijen door middel van sluikbladen, pamfletten of graffiti, of hun vaderlandslievende uitzending op de nationale feestdag een doorn in het oog van de bezetter is. Alleszins draait dit uit op een tragedie voor vele families uit Klein-Brabant en omstreken. |
|
Student, ongehuwd ° Boom 14.5.22 Aangehouden op 27.10.1941 + Lingen-Ems 7.8.1943 (gefusilleerd) Edmond Maes krijgt de doodstraf te Wupperthal wegens hulp aan de vijand, het verspreiden van vlugschriften, spionage en wapenbezit. Hij wordt gefusilleerd met 11 medeveroordeelden van De Zwarte Hand. |
|
Timmerman, tekenaar, gehuwd ° Bornem 1.3.1915 Aangehouden op 27.10.1941 + Dora 3.3.1945 Louis Polfliet is lid van De Zwarte Hand sinds 1.6.1941. Hij verspreidt sluikbladen als La libre Belgique en Le Belge en ook vlugschriften van De Zwarte Hand. Na een dag in Breendonk wordt hij opgesloten in de gevangenissen Begijnenstraat te Antwerpen tot 15.3.1942, Sint-Gillis tot 18.7.1942, Wupperthal tot 7.7.1943, Esterwegen tot 3.3.1944, Gross-Strelitz en de concentratiekampen Gross-Rosen (gevangenenummer 82392) en Dora, waar hij overlijdt aan enterocolitis. Zijn broer Albert, die de gevangenschap overleeft, ziet hem laatst op 8.2.1945. |
|
Werkman, ongehuwd ° Hingene 6.2.1919 Aangehouden op 27.10.1941 + Gross-Rosen 2.1.1945 (matricule 82020) Carolus Van Gucht krijgt postuum recht op de titel van 'weerstander door sluikpers' van 16.4.1940 tot 27.10.1941. |
|
DE
CLERQ, Kamiel Kamiel De Clerq is cafébaas van Café Tony in Liezele. Na Wupperthal wordt hij nog gevangen gehouden te Esterwegen, Börgermoor, Gross-Strehlits, Bleckhammer en het concentratiekamp Flossenburg, waar hij nummer 49032 droeg. Zijn bijnaam in Esterwegen is 'Tony de Kok'. |
|
Landbouwer-helper, ongehuwd ° Lippelo op 12.4.1910 Aangehouden te Lippelo op 27.10.1941 + Wupperthal 11.3.1943 Na een dag in Breendonk verblijft Jozef-Albertus Peeters tot maart 1942 in de gevangenis van de Begijnenstraat te Antwerpen, tot juli 1942 in Sint-Gillis, en van dan af in de gevangenis van Wupperthal waar deze jonge en gezonde man, die zijn legerdienst vervult in de cavalerie, uiteindelijk aan tuberculose overlijdt. Na de oorlog wordt zijn lichaam gerepatrieerd. |
|
Metser, ongehuwd ° Londerzeel 16.4.1922 Aangehouden te Londerzeel + na 7.3.1945 (?) Alfons Moeyersoens komt op 15.2.1945 aan te Flossenburg en op 7.3.1945 te Bergen-Belsen waar hij verdwijnt. Zijn gevangenenummer in Gross-Rosen is 82269, in Bergen-Belsen draagt hij nummer 87967. |
|
Student, ongehuwd ° Malderen 16.7.1922 Aangehouden te Malderen op 27.10.1941 + Sonneburg in mei 1944 Jozef Vermassen is lid van De Zwarte Hand vanaf 1.6.1941. Na zijn veroordeling te Wupperthal wordt hij overgebracht naar Hameln tot 19.5.1943 (gevangenenummer 313/42) en Sonneburg tot mei '44 (gevangenenummer 141/43), waar hij in cel 3/31 verblijft. Op 14-15 januari 1943 wordt hij door het Volksgericht Berlin tot 7 jaar dwangarbeid veroordeeld en tot het betalen van de procedurekosten wegens storing der vrede in het land en het verspreiden van anti-Duitse vlugschriften. Te Sonneburg verblijft hij in het lazaret op 20.5.1943 wegens het afsnijden van een vinger in de schrijnwerkerij. |
|
Beroepsmilitair, gehuwd, 1 kind ° Montpellier 2.5.1915 Aangehouden op 27.10.1941 + Sonneburg tussen 11.1944 en 1.6.1945 Paul Bastaens sluit zich op 1.7.1941 aan bij De Zwarte Hand. Op 27.10.1941 wordt hij opgesloten in de Begijnenstraat te Antwerpen, vervolgens in Sint-Gillis, op 29.6.1942 in Wupperthal, dan Esterwegen en Sonneburg, waar hij ingeschreven wordt in de westvleugel op 11.10.1943, met gevangenenummer 930/43. Op 14/15.1.1943 wordt hij veroordeeld tot doodstraf wegens het storen van de innerlijke vrede, begunstiging van de vijand en het op de hoogte zijn van het wapenbezit in de groep. Na een genadeverzoek wordt zijn straf in 12 jaar dwangarbeid omgezet, op 27.9.1943. |
|
Stationsbediende, gehuwd, twee kinderen ° Nazareth 18.10.1899 Aangehouden thuis te Puurs op 17.10.1941. + Lingen-Ems 7.8.1943 Leon De Mol is de broer van de stichter van De Zwarte Hand, Marcel De Mol, en een van de leiders van de groep. Op 14/15.1.1943 wordt hij ter dood veroordeeld door het Volksgericht van Berlijn, zetelend te Wüpperthal. Volgens de overlijdensakte van 14.9.1943 is de doodsoorzaak 'hartdood, schotwonden, ademstilstand'. |
|
Bediende, ongehuwd ° Bressoux op 5.10.1919 + Lingen-Ems op 7.8.1943 Clement Dielis is lid van De Zwarte Hand sinds april 1941 en een van de leidingevende personen van de groep. Hij is zeer bedrijvig in de sluikpers, stelt pamfletten op, houdt sluikbladen en vlugschriften in depot (maandelijks minstens 100), vervoert en verspreidt ze. Op 17.10.1941 wordt hij aangehouden en opgesloten in de gevangenis van Mechelen van 18.10.1941 tot 20.11.1941, in de Begijnenstraat te Antwerpen tot 16.3.1942, in Sint-Gillis, op 29.6.1942 te Wupperthal, 15.6.1943 te Essen, 29.6.1943 te Esterwegen. Ter dood veroordeeld op 15.1.1943 door het Volksgerichtshof Berlin te Wupperthal op 14/15/1.1943 wegens spionage, vrijschutterij en hulp aan de vijand wordt Clement Dielis op 7 augustus 1943 met 11 andere leiders van De Zwarte Hand te Lingen-Ems gefusilleerd. |
|
Gepensioneerde Adjunct Brigadecommandant van de Rijkswacht, gehuwd, 1 kind °
Stokrooie 1.9.1880 Jan Maris treedt op 1.1.1941 toe tot de beweging als een van de leiders en medestichters van De Zwarte Hand. Hij houdt vlugschriften en sluikbladen in depot, vervoert en verspreidt ze. Op 14/15.1.1943 wordt hij veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid met verlies van burgerrechten en betaling van de gerechtskosten omwille van spionage, verstoring van de vrede in bezet gebied en wegens hulp bij de aankoop van een uitzendpost, waarvoor hij 2 personen had gevonden die financieel geholpen hebben bij aankoop. Na zijn veroordeling te Wupperthal wordt hij op 17.2.1943 naar de gevangenis van Hameln overgebracht en op 20.5.1943 in Sonneburg opgesloten. |
|
Fabrieksarbeider (op de scheepswerf) ° Ruisbroek op 23.4.1921 Aangehouden te Boom op 27.10.41 + Sonnenburg rond 15.8.43 Jozef Van Beneden wordt lid van De Zwarte Hand op 1.1.41. Hij verspreidt om de 2 à 3 weken sluikbladen en vlugschriften en wordt aangehouden te Boom wegens hulpverlening aan de vijand, het verspreiden van vlugschriften en spionage. Op 15.1.43 wordt hij te Wupperthal veroordeeld tot 4 jaar zware arbeid, het betalen van de procedurekosten en 4 jaar verlies van burgerrechten wegens verstoring van de binnenlandse rust in bezet gebied. Hij wordt achtereenvolgens opgesloten in de gevangenissen van Antwerpen tot 25.2.1942, Vorst, Wupperthal vanaf 29.6.1942 en Hameln vanaf 17.2.1943. Vanaf 20.5.1943 verblijft hij in Sonnenburg, in cel 14 van de westvleugel. |
|
Elektricien, gehuwd, 3 kinderen ° Ruisbroek 7.7.1913 Aangehouden op 18.10.1941 (thuis, te Ruisbroek) + Wolfenbüttel 18.11.1944 Frans Van Beneden wordt lid op 1.6.1941. Hij stelt een door hemzelf gebouwde zendpost ter beschikking van de groep en biedt zijn diensten aan als radiotechnicien. Hij werkt met Louis Hofmans, Clement Dielis en Albert De Bondt, die allen overlijden in Duitsland. Hij wordt opgesloten onder het regime van Untersuchungshaft (voorlopige hechtenis, hangende een strafonderzoek in afwachting van het proces) tot 21.11.1941 in de gevangenis van Mechelen, in de Begijnenstraat te Antwerpen tot 25.3.1942, in Sint-Gillis en vanaf 29.6.42 Wupperthal, in Hameln van 17.2.43 tot 19.5.43 (met nummer 303/42), en via Sonneburg naar Wolfenbüttel overgebracht. Hij wordt veroordeeld tot 10 jaar op 14/15.1.1943 door het Volksgerichthof Berlin 'zuwiden handlungen g. d. Besatzungsmacht 10 j Zucht v. H.' (wegens verzetsdaden tegen de bezetter tot 10 jaar dwangarbeid). Net als zijn jongere broers wordt hij ziek en overlijdt hij als gevolg van jarenlange opsluiting en lichamelijke aftakeling door een hongerregime. |
|
Ziftenmaker, ongehuwd ° St. Amands 20.1.1910 Aangehouden thuis te St. Amands op 27.10.41 + Gross-Rosen 8.2.45 (gevangenenummer 82278) Alfons Moortgat is lid van De Zwarte Hand sinds 1.4.1941. Hij verspreidt de sluikbaden La Libre Belgique en Vrij en de vlugschriften van De Zwarte Hand. |
|
Mandenmaker, ongehuwd ° St. Amands 11.05.1903 Aangehouden thuis te St. Amands op 27.10.1941 + Boelcke Kazerne 3.4.1945 Nadat hij zoals alle andere het gevangenissenparcours heeft doorlopen, komt Ludovicus Koek terecht in Gross-Rosen waar hij het gevangenummer 82187 krijgt. Van daaruit vertrekt hij op 8.2.1945 bij de evacuatie naar Buchenwald en belandt hij in Mittelbau-Dora, met gevangennummer 110974. Hij wordt overgebracht naar het Kommando Boelcke Kazerne waar vele zieken terechtkwamen en sterft er na het tweede bombardement op 3.4.1945. Zijn overlijdensakte vermeldt 'dysenterie, difterie'. In zijn boek Wir Muselmanner getuigt René Lambrechts dat hij hem op 3.4.45 nog levend tussen de lijken terug vindt: 'Louis Koek leeft nog maar is schier onherkenbaar... zijn gezicht is slechts een wassen doodskop.' |
|
Koster, goudsmid, juwelier, gehuwd, 1 kind ° Gent 5.5.1908 Aangehouden op 17.10.1941 + Lingen-Ems op 7.8.1943 Marcel De Mol is de stichter van De Zwarte Hand en plaatselijk leider te Tisselt, Londerzeel en Breendonk. Zomer 1940 sticht hij met Staf Vivijs te Tisselt een groep die de Duitsgezinde burgers van de gemeente noteert, om ze na de bevrijding ter verantwoording te kunnen roepen. Hij ontvangt regelmatig 350 sluikbladen (La Libre Belgique, Vrij, De Strijder) die hij in depot houdt en per 50 exemplaren verspreidt. Hij stelt vlugschriften op zoals 'Hallo hier De Zwarte Hand' en ook zwarte lijsten. Hij wordt opgesloten vanaf 18.10.1941 in de gevangenis te Mechelen tot 20.11.1941, op 27.10.1941 voor één dag in het Fort van Breendonk, in de Begijnenstraat te Antwerpen tot 16.3.42, in Sint-Gillis, op 29.6.1942 te Wupperthal, dan Esterwegen en Lingen. Op 15.1.1943 wordt hij ter dood veroordeeld en op 7.8.1943 samen met zijn oudere broer uit Puurs en 10 andere leiders van De Zwarte Hand gefusilleerd. Het motief: 'Gründer der Schwarzen Hand, hat Mitglieden geworben, Waffenbesitz, Verbreiterung des Propagandamaterial' (oprichter van De Zwarte Hand, het werven van leden, wapenbezit, verspreiding van propagandamateriaal). |
|
Koperslager, ongehuwd ° Tisselt 20.12.1919 Aangehouden te Boom op 27.10.1941 + Dora 10.3.45 en
|
|
Werkman, ongehuwd ° Tisselt 20.12.1919 Aangehouden te Boom op 27.10.1941 + Flossenburg 8.3.1945 (gevangenenummer 48810) |
|
Vanaf 1.6.1941
ontvangt Petrus Van Zaelen per
maand regelmatig 50 sluikbladen (La Libre Belgique, Vrij, De
Strijder) en 50 vlugschriften (Hallo hier De Zwarte Hand) van Marcel
De Mol, ter verspreiding. Hij wordt in Gross-Strehlits
gescheiden van zijn tweelingbroer Willem
en komt na de evacuatie van Gross-Rosen
in Dora terecht, met
gevangenenummer 113515.
De tweelingbroers sterven met 2 dagen verschil. |
|
Gedurende de bezetting zijn er in Duffel twee verzetsgroepen actief. Eén Duffelaar is lid van de inlichtingendienst Clarence. Twee jonge Duffelse scholieren zijn actief in de Mechelse afdeling van de Nationale Koninklijke Beweging. Wanneer in augustus 1941 de Mechelse jongerengroep van het nkb wordt opgepakt blijven ze buiten schot. Arthur Speelman, een 29-jarige korporaal van het Belgisch leger, wordt de leider van een nieuw opgerichte Duffelse afdeling van het nkb, die vanaf begin 1942 ingelijfd wordt bij de Witte Brigade. Militaire inlichtingen, verspreiden van sluikpers, steun aan onderduikers en geallieerde piloten, opstellen van 'zwarte lijsten' en het beluisteren van de bbc zijn hun belangrijkste activiteiten. Naast deze groep is ook het Geheim Leger in Duffel aanwezig. Op 16.2.1941 wordt de sectie Duffel gesticht door Albert Van Hoof, door veldwachter Louis Wolzer, die na de aanhouding van Van Hoof de leiding van de groep overneemt, door politieagent Guillaume Colin en gemeenteontvanger August Goossens. Pas in maart 1942 zal de groep massaal leden rekruteren. Vergaderingen worden o.a. gehouden in het Volkshuis, waar de bbc beluisterd wordt, en in café Het Sterreke. Hun activiteiten behelzen het drukken en de verspreiding van vlugschriften, hulp aan onderduikers, aan geallieerde piloten en aan verborgen joodse vrouwen en kinderen. Beide verzetsgroepen werken nauw samen met hun tegenhangers in Lier en Mechelen, en meer bepaald met Theodoor Proost, die zowel tot het Geheim Leger als tot de Witte Brigade behoort. |
|
Elektrisch lasser, ongehuwd ° Rijmenam 14.6.1923 + Bremen-Farge 7.11.1944 In juli 1941 wordt Jaak Guldentops ontslagen en werkloos. Van 19.8.1941 tot 6.12.1942 is hij elektrisch lasser in dienst bij de scheepswerf Belliard-Crighton te Antwerpen, die onder de Duitse Verwaltung geplaatst is en voor de bezetter werkt. Op 30.11.1942 verklaart hij aan de aanwervingsdienst van de Oberfeldkommandantur vrijwillig naar Duitsland te willen vertrekken. Op 7.12.1942 wordt hij tewerkgesteld in de Howaldswerke te Hamburg. In de vroege zomer van 1943 protesteert Jaak luidruchtig tijdens een rekruteringsmeeting voor het Oostfront door ss-Vlaanderen in het Lager Walthershof I. Hij wordt aangehouden en naar het strafkamp Bremen-Farge, een buitenkommando van Neuengamme, overgebracht. Op 7.11.1944 sterft hij ten gevolge van een schedelbreuk na een val van een 33 meter hoge bunker. Emmanuel Kloostermans verklaarde later dat hij er wellicht was afgewaaid vermits hij 'geheel onderkomen en vermagerd was'. Zijn erkenning als politiek gevangene wordt eerst afgewezen op grond van art 5.6 van de wet van 1947 omdat hij vrijwillig naar Duitsland is gaan werken, maar herzien door de beslissing van de Aanvaardingscommissie in Beroep van 4.1.1954. Hoewel afkomstig uit een Duitsgezind milieu, heeft Jaak Guldentops een duidelijk onderscheid gemaakt tussen arbeiden in Duitsland - om zijn familie te onderhouden - en deelnemen aan de oorlog tegen de geallieerden. |
|
Advocaat en plaatsvervangend Vrederechter van het kanton Duffel, ongehuwd ° Duffel 8.8.1906 + Gross-Rosen 1.12.1944 Jos Sels wordt als lid van de Witte Brigade aangeworven op 1.8.1943 door Marcel Louette uit Antwerpen, met nummer 26049. Hij is actief in Duffel onder leiding van Arthur Speelman en verdeelt sluikpers (o.a. La Libre Belgique), werft leden, vergaart militaire inlichtingen en stelt zogenaamde 'zwarte lijsten' van collaborateurs op. Hij wordt aangehouden in de nacht van 14/15.10.1943 door de sipo van Antwerpen (door agent Veit). Op 30.12.1943 wordt hij met 22 anderen voor het Krijgsgerecht ten Velde FK 520 gebracht met dossiernummer ST lVI 363/43. Op 1.2.1944 beslist de rechtbank dat een veroordeling in België onmogelijk is en zendt 21 van de 23 naar Duitsland (onder het nn-decreet), om daar veroordeeld te worden. Jos Sels wordt opgesloten te Antwerpen tot 17.2.1944 en 1 dag later vanuit Sint-Gillis waarschijnlijk via Essen naar Esterwegen vervoerd, waar hij op 22.2.1944 aankomt. Later wordt hij overgebracht naar Gross-Strelits en op 30.10.1944 komt hij aan in het concentratiekamp Gross-Rosen. Volgens de Duitse overlijdensakte overlijdt Jos Sels daar aan de gevolgen van difterie en een hartaanval. |
|
Schrijnwerker, uitbater van het Socialistisch Volkshuis, gemeenteraadslid 1932-1938, gehuwd, drie kinderen ° Duffel 9.9.1898 + Dachau 26.12.1944 Albert Van Hoof is lid van het Geheim Leger Wiekvorst en medestichter van het Geheim Leger Duffel, dat hij leidt van 2.2.1941 tot zijn aanhouding op 21.7.1943. Hij wordt voor de Krijgsraad ten Velde van de Wehrmacht te Antwerpen FK 520 gedaagd op 15.9.1943 op grond van verboden wapenbezit en hulp aan de vijand. Op 17.9.1943 beslist de rechtbank hem met 26 andere, vooral Lierse verzetslui onder het nn-decreet naar Duitsland over te brengen om hem daar te veroordelen. Via de gevangenissen van Antwerpen, Sint-Gillis, Essen en Esterwegen komt hij 22.3.1944 in de gevangenis van Bayreuth aan, in afwachting van de behandeling van zijn zaak voor de rechtbank van Oppeln. Op 6.12.1944 wordt hij aan de Gestapo van Nürnberg overgedragen en naar Dachau gebracht, waar Albert Van Hoof de volgende dag aankomt en diezelfde maand overlijdt. |
|
Hun
eerste activiteit, op 10.11.1942, is het verspreiden van strooibiljetten
in Heist en Hallaar. Wapens worden aangekocht, sabotagedaden worden
opgezet: zo wordt de voorstelling in Zaal Flora van het toneelstuk
'Boefje', georganiseerd door de groep van Rik Geerinckx van de D-Vlag,
verstoord door het onderbreken van de elektriciteitstoevoer en wordt op
22.12.1942 het Kerstfeest van het vnv
in Putte gesaboteerd. Jeugdfront
voor de Vrijheid
Op
5.9.1943 verkrijgt de groep valse identiteitsbewijzen. Op 8.10.1943 wordt
garage Campinoise uit Grobbendonk in brand gestoken door een detachement
onder leiding van Jules Roothooft. Het hele gebouw met Duitse vrachtwagens
en werkplaatsen wordt vernield en op de terugweg wordt het blokhuis te
Bouwel, waar de treinwissels worden bediend, overvallen en telefoonlijnen
en bedieningsinstallatie buiten werking gesteld. Op
vrijdag 22.10.1943 rond halfnegen 's morgens wordt een dynamiettransport
op de baan van Balen, op 6 km. van Leopoldsburg, overvallen door 8
gewapende partizanen waaronder 7 van Leuven en 1 van Heist-op-den-Berg,
Jules Roothooft. Vier ton dynamiet worden buitgemaakt. De chauffeur, 1
begeleider en 2 gendarmen worden overmeesterd en opgesloten in de
vrachtwagen. Om halftien worden 1.025 kilogram dynamiet in kisten
afgeladen te Averbode door 2 detachementen van het partizanenkorps van
Heist. De rest wordt naar Keerbergen overgebracht. Bij hun terugkeer per
fiets rond het middaguur, ter hoogte van Blauwberg te Herselt, wordt de
groep klemgereden door een wagen met aan boord 6 gewapende Geheime
Feldpolizei. Partizanen Georges Maris, Jan Van den Brande, Frans Van
Overstraeten en Jan Verschueren worden aangehouden. Slechts 2 partizanen
ontsnappen. Niet al de aangehouden personen kunnen de zware mishandelingen
die gepaard gaan met de ondervragingen weerstaan. e zullen praten. Zo
worden de volgende dag 4 andere leden van compagnie 'De Zwaan'
aangehouden: Henri Versluys, Jules Roothooft, Jules Wauters en Georges
Verhaegen. Alle acht worden ze 2 dagen later te Antwerpen voor het
Feldkriegsgericht 520 gebracht. Vermits de verzetsdaden die ze begaan
hebben door de mishandelingen toegeven zijn, worden zeven onder hen 'Wegen
Feindbegünstigung und unerlaubten Waffenbesitz, wegen Anstiftung zum
Sabotage und zum schweren Raubes zum toten' (wegens hulp aan de vijand,
onbevoegd wapenbezit, aanzetten tot sabotage en zware roof) ter dood
veroordeeld (dossier Nr ST L VI 308/43): Henri Versluys, Jules Wauters,
Jules Roothooft, Georges Verhaegen, Louis Jan Verschueren, Georges Maris
en Jan Van den Branden. Zij moesten binnen de 48 uur worden gefusilleerd,
maar het vonnis wordt pas voltrokken op 19.11.1943 op de schietstand van
Maria ter Heide. Dat uitstel dient waarschijnlijk om het onderzoek naar
het of van Heist door verdere
ondervragingen van de partizanen in een stroomversnelling te brengen.
Frans Van Overstraeten wordt vanwege zijn jeugdige leeftijd - hij was net
geen 18 jaar oud - tot 10 jaar dwangarbeid veroordeeld en naar Duitsland
overgebracht. Hij sterft te Bergen-Belsen op 21.3.1945. De sectie Heist bestaat voornamelijk uit beroepsmilitairen en reservisten, met als verantwoordelijke beroepsmilitair Karel Dockx en leden Jef Thijs (sinds augustus 1940), Louis Dockx en Alfons Verschueren. Alfons Verschueren en Jules Moris, ook een lid, bezorgen plannen en foto's van het kamp van Beverlo aan de geallieerden. Karel Dockx en Alfons Verschueren worden op 13.4.1942 aangehouden en overlijden te Sachsenhausen, wat meteen het einde van deze sectie betekent. Moris treedt later toe tot het of, Thijs wordt commandant van Partizanenkorps 037. |
Richard
BASTIJNSBediende bij de belastingen te Mechelen, gehuwd, 2 kinderen ° Heist-op-den-Berg op 31.12.1996 + Gross-Rosen rond 8.2.1945 Hij
staat in verbinding met leden van een ontsnappingsroute om hulp te bieden
aan geallieerde vliegers die waren geparachuteerd. Door zijn toedoen wordt
een in augustus 1942 neergeschoten Canadees piloot gered en gehuisvest en
geholpen om terug naar Engeland te kunnen vertrekken. Hij helpt ook andere
geallieerde vliegeniers, waarvoor hem postuum de 'Medal of Freedom'
uitgereikt wordt. In maart of april 1943 komt Richard Bastijns, langs het Onafhankelijkheidsfront om, in verbinding met Albert De Koninck (Victor), commandant van het Belgisch Partizanenleger voor de Vlaanderen. Die geeft hem opdracht sabotagegroepen te stichten, wapens te verzamelen enz., wat dan ook gebeurt in samenwerking met de groep Versluys, die ondertussen tot de partizanen was toegetreden door toedoen van korpscommandant Jozef Thijs. Hij zorgt voor wapens en munitie, zoekt schuilplaatsen voor illegalen, verzamelt geld voor ondergedokenen enz. zoals blijkt uit de verklaringen in het statutendossier. Hij wordt op 2.11.1943 door de Geheime Feldpolizei 712 aangehouden. Richard Bastijns sterft begin februari 1945 in Gross Rosen. |
Georges
CALUWAERTS Notaris, ongehuwd ° Heist-op-den-Berg 27.03.04 + Esterwegen VII, op 17.03.1944 met als doodsoorzaak 'Herz und Kreislaufschwache' (hart- en bloedsomloopzwakte) Gerorges
Caluwaerts organiseert coördinatievergaderingen met de lokale chefs van
het verzet te Heist-op-den-Berg, Putte en Westmeerbeek en neemt deel aan
het overbrengen van geallieerde piloten. In
september 1943 weet hij dat hij verraden werd, maar besloot niet onder te
duiken en thuis te blijven om zijn kameraden niet te compromitteren en
zijn moeder niet bloot te stellen aan de wraakmaatregelen van de vijand. Hij wordt aangehouden te Itegem in de nacht van 9 op 10 september 1943 door de Gestapo 'wegen Feindbegunstiging' (het begunstigen van de vijand) en de volgende dag overgebracht naar de gevangenis van Antwerpen. Tijdens de ondervragingen en martelingen neemt hij de verantwoordelijkheid voor de delicten van het verzet op zich. Hij verblijft achtereenvolgens in de gevangenissen van Antwerpen tot 6.1.1944, Sint-Gillis tot 8.1.1944, Essen tot 11.1.1944 en Esterwegen (gevangenenummer 2016.43) vanaf 13.1.1944. Daar overlijdt Georges Caluwaerts in Revier (ziekenboeg) Nord en wordt er begraven op het kerkhof Esterwegen, Teufelsberg nr.70. |
Georges
DE WEYERMilitair in het Belgisch leger, ongehuwd, PA-soldaat ° Heist-op-den-Berg 20.10.1913 + Gross-Rosen, februari 1945 |
Jozef
THIJSBeroepsmilitair, ongehuwd ° Heist-op-den-Berg 23.1.1918 + Bergen-Belsen op 21.2.1945 Jozef Thys wordt aangehouden te Pulderbosch op 31.10.1943, waar hij illegaal verblijft. Hij wordt opgesloten te Antwerpen op 31.10.1941, van 6.1.1944 tot 8.1.1944 te Sint-Gillis, te Essen en te Lingen in doorgang en van 13.1.1944 tot 13.3.1944 te Esterwegen. Van 15.3.1944 tot 30.10.1944 verblijft hij in Gross-Strehlitz en van 30.10.1944 tot 8.2.1944 in Gross-Rosen. Van daar wordt Jozef Thys met een ziekentransport naar Bergen-Belsen overgebracht, waar hij op 21 februari 1945 overlijdt. Armand Verhaert verklaarde op 27.6.1947 dat Thijs reeds rond 20.12.1944 in het Revier (de ziekenboeg) te Gross-Rosen was opgenomen, aan longziekte en hoge koorts leed en uitgemergeld was. |
Frans
Leonard VAN OVERSTRAETEN Fabriekwerker in een meubelmakerij, ongehuwd ° Heist-op-den-Berg 19.12.1924 + Bergen-Belsen 21.3.1945 |
Joannes
(Jan) VERBEECK Landbouwer, gehuwd, 6 kinderen ° Baal 8.2.1895 Aangehouden te Heist-op-den-Berg op 16.11.1943 door de Geheime Feldpolizei 712 + Dora, half maart 1945 |
Henri
VERSLUYSStudent, ongehuwd ° Heist-op-den-Berg 23.4.1923 + Maria ter Heide 19.11.1943 (gefusilleerd) |
|
Belgische
Brigade/Witte Brigade afdeling 26
Lecron
bezit een messenfabriek in Mechelen en is tijdens de mobilisatie
gekazerneerd te Lier in het 2e regiment artillerie. Als instructeur heeft
hij in 1936 onderofficier en kapper Marcel Arras leren kennen. Wanneer die
terugkomt uit krijgsgevangenschap in Oostenrijk wordt hij aangesproken
door Lecron om de Lierse tak van de Belgische Brigade uit te bouwen. Arras
krijgt het nummer NB (Noord België) 13. Nadat de groep tot de Witte
Brigade toetreedt wordt de nummering aangepast. Het netwerk dat in
Mechelen, Lier en Antwerpen onder leiding van Marcel Louette ontstaat
werkt samen met de dienst Zero om de verbinding met Londen tot stand te
brengen. Marcel
Arras rekruteert zijn bestuursleden onder de oud-leerlingen van zijn
school. De leiding bestaat uit: 026 Marcel Arras (leider), 261 Roger Parez
(adjunct-leider), 262 Marcel De Noël (oud-kadet van de Militaire School,
verbindingsagent), 263 René Van Roothoofd (contacten met de stedelijke
administratie), 264 Etienne Arras (houdt zich bezig met de onderduikers),
265 Paul Franckx (pers en inlichtingen), 266 Jos Hellemans (jeugdwerk) en
267 Maurice Kennis (verbindingsagent zoals De Noël). In
Lier en omliggende gemeenten werft de groep actief leden. Bij hun
aanwerving moeten de leden in aanwezigheid van een getuige de eed van
trouw zweren aan de Belgische wetten en aan de organisatie zelf. In de
gemeente Broechem bestaat de leiding van de groep uit André en Jules
Deseer die zich vooral bezighouden met de koerierdienst naar Antwerpen.
Jozef Vervoort is hun koerier. In
Kessel vergaren broer en zus Marcel en Fanny Dillen vanaf 16.4.1943
inlichtingen, samen met Jos Van den Bosch. In Emblem leidt Louis Somers de
afdeling, in Boechout Frans Verbruggen, in Berlaar Kamiel Dennen, in
Nijlen Edward Nellens, in Koningshooikt Emiel Beens. Afdeling Aarschot
wordt met Lier verbonden door pastoor Geuns. Vier
bestuursleden en een lid plegen op 11.1.1943 om 19.30 u. een aanslag op de
collaborerende politieagent Maes. Ze bellen aan bij zijn woning, maar
wanneer Maes het deurraampje opent weigert het pistool van de leider. Een
tweede poging mislukt omdat de kogel afketst op de tralies. Als gevolg van
die aanslag wordt de leider van de groep, Marcel Arras, aangehouden en
naar de Begijnenstraat in Antwerpen overgebracht. De andere verdachten
worden ondervraagd. Na
de aanhouding van Arras nemen Roger Parez en Marcel De Noël de leiding
van de groep over en wordt het bestuur uitgebreid met vijf personen: 268
Jean Daxhelet (leerling van het Atheneum te Antwerpen), 269 Maurice
Teeuws, 2610 Jos Steuckers, 2611 Rik Vermeiren en anderen. De verbinding
met Fidelio wordt door 262 Marcel De Noel en 268 Jean Daxhelet hernomen.
Om de verdenkingen tegen Arras te ontkrachten zorgt de groep ervoor de
activiteiten zo grondig mogelijk verder te zetten. Marcel Arras wordt op
7.5.1943 vrijgelaten te Antwerpen. Het
Onafhankelijkheidsfront en het Geheim Leger verspreiden op 10.5.1943
pamfletten in de Duitse kazernes, waardoor de sipo
in actie treedt. Door verraad worden een honderdtal Lierenaars aangehouden
waaronder Marcel Arras, Roger Parez en Maurice Kennis. Jean Daxhelet en
Paul Franckx nemen de leiding over. Daxhelet zorgt voor de verbinding met
de Witte Brigade Antwerpen. Ze organiseren een hergroeperingsvergadering
en blijven het sluikblad Recht en Vrijheid uitbrengen op 23.5,
30.5, 11.6 en 18.6.1943. Op 26 en 27 mei 1943 volgen er 20 bijkomende
aanhoudingen. Op
21.7.1943 wordt de vader van Maurice Teeuws, lid van het Geheim Leger,
aangehouden. Zijn zoon, die na de aanhouding van Marcel Arras een van de
actiefste leden van de Witte Brigade Lier was geworden, moet onderduiken. Op
13.8.1943 wordt de verbindingsagent met de groep van Aarschot aangehouden.
De verbinding wordt spoedig hersteld door Van Roothooft, vermits de
berichten vanuit Antwerpen naar Brussel dikwijls via Aarschot worden
bezorgd. In diezelfde periode wordt te Kessel een groepje van 3 mannen
voor de Witte Brigade aangeworven door Louis Henri. Ook in Nijlen en
Hallaar komen Witte Brigade groepen tot stand. Op
19.8.1943 wordt een Witte Brigade-lid aangezet om in de kultuurraad te
Lier zetelen, teneinde op de hoogte te blijven van wat deze collaborerende
instantie voor de stad van plan is. Op
15.9.1943 wordt Jean Daxhelet aangehouden en op 17.9.1943 valt de sipo
binnen bij de familie Verhoeven. Vader en zoon worden aangehouden en het
wapendepot wordt ontdekt. Na die aanhoudingen neemt 266 Luc Brion de
verbinding met Fidelio over, maar op 25.9.1943 geeft hij zich ten einde
raad en overmand door stress, over aan bij de bezetter. De Lierse leider
Paul Franckx duikt diezelfde dag nog onder en zal op 5.10.1943 aankomen op
het hoofdkwartier van de Witte Brigade te Sint-Job, waar hij in bungalow
Jacobus een onderkomen vindt. De sector Lier wordt opnieuw
gereorganiseerd, met Maurice Teeuws als plaatsvervangend leider. Een
koerierdienst per fiets brengt de orders van het hoofdkwartier naar Lier
over. De groep blijft actief op het vlak van inlichtingengaring,
bewapening, bevoorrading van en geldelijke steun aan onderduikers, met het
oog op het uur H. Op
12.6.1944 valt de Gestapo het onderduikadres Jacobus aan: Paul Franckx,
Jean Gladine en Gommaar De Vriendt ontsnappen en duiken elders onder, te
Oelegem en Broechem bij Gaston Allard. Ze vernielen twee weken voor de
bevrijding de telefoonverbindingen met Antwerpen. Vervolgens duiken zij
terug onder te Lier waar ze samen met de andere groeperingen sabotagedaden
in het kader van het uur H uitvoeren. Op
13.7.1944 valt de sabotagegroep de spoorlijn tussen Lier en
Boechout-Kontich aan. Op
22.7.1944 wordt Maurice Teeuws aangehouden. De
belangrijkste bezigheid van de groep betreft het vergaren van inlichtingen
over de Duitse militaire installaties, troepen- en transportbewegingen. In
1941 worden de plannen van de Erla-fabrieken te Mortsel, de luchthaven van
Deurne en de luchtafweerinstallaties te Vremde door Marcel De Noël en
Maurice Kennis op schaal getekend en via Zero aan Londen overgemaakt. De
inlichtingen worden tot halverwege de afstand naar Mechelen gesmokkeld
door een koerierdienst per fiets. De rapporten worden verstopt in
fietspompen en batterijen die worden geruild met die van de Mechelse
contactpersoon. De belangrijkste koeriers zijn Marcel Arras, Roger Parez,
Marcel De Noël en Etienne Arras. De Mechelse contactpersoon 'Felix'
brengt vervolgens de rapporten naar het hoofdkwartier te Mechelen. Vanaf
1942 worden die berichten en verslagen overgebracht door Polulaire, die
tewerkgesteld is in de messenfabriek van Lecron. Sus
Van Huffelen bijvoorbeeld verzamelt informatie over de militaire
transporten langs de spoorlijn Lier-Aken die op dezelfde manier wordt
overgemaakt. Later doet ook Henri Van Bergen dat vanuit zijn woning in de
Statielaan. In de zomer van 1943 houdt de groep zich bezig met het
verzamelen van inlichtingen over de troepen en de voorraden die Lier
verlaten. Daarnaast blijven ze rapporten opstellen over de collaborerende
functionarissen en diensten, de zogenaamde zwarte dossiers. Vanaf
27.3.1942 worden op regelmatige basis inlichtingen vergaard en plannen
uitgetekend die voor de militaire acties van de geallieerden belangrijk
zijn: de verlichtingspalen op de baan Lier-Broechem die als bakens kunnen
dienen voor de Engelse piloten, de spoorlijnen vanuit Lier naar Broechem,
Aarschot en Herentals, de kazernes, schuilkelders en nutsvoorzieningen te
Lier en de ligging van de garage en ateliers van de firma Krupp. Stadsbediende
Jos Stubbe verzamelt informatie over de activiteiten van het stadsbestuur.
Blanco documenten, papieren en identiteitsbewijzen worden verdonkermaand
om de werkweigeraars en de onderduikers van dienst te zijn. Fotograaf Jos
Van Arkkels en zijn echtgenote Zoë Guwie leveren pasfoto's voor de valse
identiteitsdocumenten. De groep Draeyers uit Wilrijk die naar Lier vlucht
om er onder te duiken, wordt daar aan een andere identiteit geholpen
(Marcel Arras verft het haar van Drayers) en verder gesteund. Op
9.10.1942 voeren de Gestapo, de Feldpolizei en hun Belgische
collaborateurs razzia's uit te Lier op zoek naar werkweigeraars.
Verschillende leden van de groep moeten daardoor onderduiken. Ze worden
door stadsbedienden Aerts en Suetens aan valse papieren geholpen. De
leider van Broechem wordt gearresteerd. Er wordt een steunfonds opgericht
om de kosten van de organisatie te dragen. Rijke vaderlandslievende
personen worden daarvoor aangesproken. De
Belgische - later Witte - Brigade brengt sluikbladen en vlugschriften uit.
Marcel Arras, Roger Parez, Paul Franckx en Marcel De Noël stellen de
teksten op van het blad 'Recht en Vrijheid'. Die worden ingetypt door Paul
Franckx en door stadsbediende Paul Stubbe gekopieerd op papier van de
stad. Later wordt een Roneodrukpers gebruikt en wordt het blad bij Jos
Steuckers thuis gestencild. Pierre Suetens zorgt voor de levering van het
papier. Marcel Kennis, Jean Daxhelet en Rik Vermeiren verdelen en bussen
de exemplaren 's avonds zodra ze gedrukt zijn. De zogenaamde
hoofdredacteur is Alfons Laenen en de Feldgendarmerie van Lier wordt als
verantwoordelijke uitgever aangeduid. Na Steuckens wordt de
drukinstallatie van juni tot 15 september 1943 bij de familie Verhoeven
geplaatst. Gedrukt wordt er door Paul Franckx en Jean Daxhelet. Op
15.9.1943 wordt de installatie toevertrouwd aan Gommaar Van Gils. Op
4.7.1943 vindt een eenmalige samenwerking plaats met het
Onafhankelijkheidsfront van Putte om een gemeenschappelijk sluikblad te
verspreiden. Vanaf
22.11.1943, na nieuwe aanhoudingen waarbij de stencilmachine in beslag
werd genomen, wordt het blad handgeschreven voortgezet. In Lier tracht de wb
onrust te stoken zoals op 10.4.1942 tijdens de begrafenis van een
collaborateur. Marcel Arras schildert swastika's op de huizen van
Duitsgezinden op 21.7.1942, als reactie op de bekladding van het monument
van de gesneuvelden van Wereldoorlog I. In
maart 1943 wordt het beeldje van Mijnheer Piroen tweemaal weggenomen en in
het water gegooid. Witte Brigade-leuzen worden op de muren van Lier
geschilderd. Er worden ook pamfletten verspreid met 3 anti-Duitse
gedichten 'De Nazi Dood', 'Oorlogsidylle' en 'Luitenant Léon Degrelle'. Begin
mei 1944 wordt een overval gepleegd op de bediende van brouwerij Cuykens:
7500 rantsoeneringszegels worden buitgemaakt door Maurice Teeuws en
Gommaar De Vriendt, waarvan de helft aan Fidelio wordt gegeven. In 1943 en
1944 wordt een geallieerde militair gered en verborgen. Eind
1940 wordt Jacques Van de Velde door Willem Grisar van het Belgisch
Legioen aangezocht om tot de beweging toe te treden. Hij wordt tijdens een
bijeenkomst met kolonel Housman aangesteld tot commandant van de
toekomstige sector Lier die hij moet tot stand brengen. Die wordt een van
de 10 sectoren die afhangen van Zone I Vlaanderen (P3 Provincie Antwerpen)
bestuurd door kapitein commandant William Grisar en later, vanaf augustus
1941, door kolonel Paul Housmans. In februari 1941 rekruteert Van de Velde
adjunct-politiecommissaris Theodoor Proost, die het hoofd van de
inlichtingendienst van de sector wordt. Vanaf mei 1941 worden er
sectiehoofden aangesteld die op hun beurt manschappen zullen ronselen.
Daartoe wordt Lier verdeeld in wijken. François-Jos
Van Arkkels krijgt als sectie-overste 10 manschappen onder zich, evenals
Raoul Chappel die het gebied van Lachenen en een gedeelte van de Mechelse
Steenweg bestrijkt, Emiel Buysschaert, eerste sergeant Cleophas Levebvre,
Alfons Bel, Felix Delahaye (Mechelse straat) en Theo De Vriendt (eerst
sectiehoofd van het gebied rond de Antwerpse Steenweg en later
verantwoordelijk voor de groep die geparachuteerde wapens en documenten
ter bestemming brengt). Zij worden bijgestaan door pelotonoversten zoals
politieagent Gustaaf Van Boeckel die zelf in 1941 veel leden aanwerft. De
Sectie te Lier bereidt zich voor om, als het uur H luidt, de bevelen die
Londen zou overmaken strikt op te volgen. Op
27.10.1942 wordt een vergadering belegd tussen de leiding van het Belgisch
Legioen (Theo Proost, Van de Velde, notaris De Strijker en Taeymans) en
van de Witte Brigade (Marcel Arras, Roger Parez, Marcel De Noël, René
Van Roothoofd en Etienne Arras) ten huize Parez over de taakverdeling
tussen beide groeperingen voor het uur H. Beide groepen komen echter niet
tot een akkoord. De
dag van de eerste aanhoudingsgolf, exact drie jaar na de Duitse invasie in
België, zullen het Onafhankelijkheidsfront en het Geheim Leger
propagandistische pamfletten in de Duitse kazernes verspreiden om de
Duitse militairen te demotiveren. Die gewaagde actie zou de aanzet hebben
gegeven voor het hard en doeltreffend optreden van de sipo. De
kelk wordt geledigd tot op de bodem. Op
28.8.1941 worden de groep tijdens een oefening omsingeld door een
dertigtal Vlaamse ss-ers en
NSJV-ers, aangehouden en overgebracht naar de Feldgendarmerie in de
Berlarij. Later worden ze gedurende 17 dagen opgesloten in de gevangenis
van Mechelen. Marcel De Noël blijft 7 weken aangehouden en wordt tot 2
maanden cel veroordeeld. Na 2 dagen in de Begijnenstraat te Antwerpen
wordt hij terug in vrijheid gesteld. De leden van het Nationaal Legioen
zijn Gaston Stubbe, Jean Gladine, Miel Lens, Willy Cailliau, Lucien
Briant, Frans Goossens, Cornelis Op de Beeck, Lucien Mathieu en Eugeen
Dierckx. Nadat de vader van Jean Gladine op 17.4.1943 wordt aangehouden,
geeft Jean zich op 23.4.1943 aan. Hij slaagt er in op 26.4.1943 te Bouwel
uit een transport naar Duitsland te ontsnappen. |
|
Joanna
Maria AERTS |
|
Ludovicus
Eduard BERVOETS
° Lier 20.9.1891 + Dachau 2.2.1945. |
Josephus
Leonardus COOL Beroepsonderofficier van het Belgisch Leger, gehuwd, 7 kinderen ° Sint Niklaas 8.1.1893 + Ellrich op 27.1.1945 |
Eugenius
GEUNS Onderpastoor van de kerk van de Heilige Familie te Lier, godsdienstleraar in een middelbare school te Lier ° Tongerloo 7.12.1908 + Nordhausen 15.4.1945 Hij
wordt aangehouden te Lier op 10.8.1943 door de sipo,
om 9 uur 's morgens in de woning van Jos Nees. Hij is een grote steun voor
zijn medegevangen en liet hen in het geheim ter communie gaan, zoals René
Lambrechts in zijn boek Wir Muselmannen getuigt. In Nordhausen,
waarheen de meeste zieken uit Dora en Gross-Rosen gebracht worden,
fungeert hij als verpleger in Blok 7. Paul Baetens uit Lier vertelt dat
Eugenius Geuns tijdens het bombardement van Boelcke Kazerne zwaar gewond
raakt door een vallende stalen deur die zijn borstkas indrukt. Baetens,
zelf ook als verpleger van dienst, tracht hem nog te helpen. Na de komst
van het Amerikaans in Nordhausen, wordt hij samen met andere zwaar zieken
en gekwetsten uit de resten van Boelcke Kazerne overgebracht naar een
villa in de buurt, waar Eugenius Geuns als een vrij man na een lijdensweg
van meer dan 21 maanden overlijdt. |
|
Zoë
(Jozefa) GUWIE |
Roger
PAREZ Meester-kleermaker, ongehuwd ° Lier 7.5.1917 + Offenburg 12.4.1945 |
Theodor
PROOSTAdjunct Politiecommissaris van de stad Lier, gehuwd, 4 kinderen ° Geel 21.05.1897 + Dachau op 10.04.1945 |
Francis
Gilbert RUYTS Beroepsmilitair ° Lier 24.9.1914 + München 30.1.1945 (onthoofd) Op
9.12.1941 wordt Francis Ruyts aangehouden door de gfp
in zijn woning te Bressoux, rue Lamarche 19, maar kan vluchten nadat hij
de agenten in zijn kamer opsluit. De gfp
vindt een code tijdens de huiszoeking na zijn eerste mislukte aanhouding,
en ook op 20.12.1941 bij zijn zuster te Berlijn. Verboven, Chantraine en
Guyot - alle drie leerkrachten aan de normaalschool te Jodoigne - worden
op 19.12.1941 aangehouden. Ruyts zelf is intussen naar Brussel gevlucht
waar Meus beslist hem via Comète naar Londen te sturen met een
omvangrijke en compromitterende briefwisseling. Andrée De Jongh van Comète
laat hem overbrengen door koerier 'De Smet', die hem aangeeft aan de
Duitsers in Frankrijk. Hij wordt aangehouden wegens sabotage en spionage
door de Sicherheitspolizei op 12.1.1942 aan de grens met Frankrijk. Op
15.8.1942 wordt de groep naar Duitsland overgebracht nadat het dossier in
juli 1942 afgesloten was. Francis Ruyts, Alexis Licour, Pierre van
Elewyck, Lisette Chantraine, Marguerite Verboven en Fernande Bartholomé
worden vervolgd. Op 9.6.1943 wordt de zaak voor het volksgerecht te Essen
gebracht en uitgesteld door zijn toedoen, omdat hij tracht zo veel
mogelijk tijd te winnen in het belang van zijn medeverdachten. Tijdens de
volgende verschijning op 12.9.1944 voor de Tweede Senaat zetelend te
Donauwörth, worden Ruyts en Licour ter dood veroordeeld, zonder
mogelijkheid tot genade, en door de reizende guillotine onthoofd te München
op 30.1.1945, om 16.O2 uur. Verboven
beschrijft Francis Ruyts als een uitzonderlijke agent, door alle
medewerkers gewaardeerd, die tot tweemaal toe gelukwensen vanuit Londen
mocht ontvangen. Volgens haar wordt hij verraden door een andere agent van
het netwerk, die enkele dagen voordien was aangehouden. Francis
Ruyts is een tenor en zingt onder meer in Esterwegen om zijn
medegevangenen op te beuren, zelfs nadat hij reeds ter dood veroordeeld
is. |
Jozef,
Jan STEUKERS Hovenier, zaadhandelaar ° Lier 31.5.1916 + Regensburg in April 1945 |
Ghislain
Maurice TEEUWS
Student, ongehuwd ° Antwerpen 13.6.1926 + Bart 14.4.1945 Voor
de vliegeniers krijgt hij van het Belgisch Legioen burgerkledij, hij
wisselt sluikblaadjes uit voor verspreiding met het Belgisch Legioen en
onderhoudt nauwe betrekkingen met Marcel Louette, wiens
verbindingsofficier hij is. Zijn vader is ingelijfd bij het Belgisch
Legioen en houdt thuis bijeenkomsten. De hele familie, vader, moeder, zoon
en dochter zit in het verzet. De familie steunt de groep Draeyers met
levensmiddelen en geld. Vader wordt aangehouden te Lier, waarop Maurice
Teeuws onderduikt bij Verhoeven en kan ontsnappen wanneer ook Verhoeven te
Lier wordt aangehouden. Nadien duikt hij onder met Paul Franckx te 's
Gravenwezel en Broechem en wordt hij ingelijfd bij een groep saboteurs.
Hij wordt aangehouden door de sipo te Antwerpen op 22.7.1944 om 21.30 uur terwijl hij
ondergedoken is in een jongensschool in de Van Aertstraat. Via Breendonk,
CC 's Hertogenbosch op 30.8.1944, Sachsenhausen en Bergen Belsen belandt
Ghislain Teeuws uiteindelijk in Bart, waar hij overlijdt. |
|
François
Josse VAN ARKKELS Fotograaf, gehuwd, 2 kinderen ° Lessen 15.10.1909 + Muschenried, eind april 1945 |
|
Louis
VAN BOECKEL |
Arthur
VANDERPOORTEN Handelsbestuurder, minister, gehuwd, 3 kinderen ° Puurs 17.2.1884 + Bergen-Belsen 3.4.1945 Na
de capitulatie vlucht Arthur Vanderpoorten met zijn gezin naar Frankrijk
waar hij verantwoordelijk wordt voor de Belgische vluchtelingen en Jaspar
vervangt als minister van Volksgezondheid. Tijdens zijn verblijf in Vichy
met andere Belgische regeringsleden wordt hem de terugkeer naar België
ontzegd, zodat zijn gezin zonder hem terugkomt naar Lier. Vanaf 1942 is
hij verplicht woonachtig in Pont-de-Claix, waar hij na de volledige
bezetting van Frankrijk door het Duits leger op 4 januari 1943 wordt
aangehouden. Vanuit
de gevangenis van Fresnes bij Parijs wordt hij op 1.9.1943 naar het
concentratiekamp Sachsenhausen overgebracht, onder nummer 671693 nn.
Op 11.2.1945 wordt Arthur Vanderpoorten naar Bergen-Belsen
getransporteerd. Nadat hij verzwakt door dysenterie toch nog herstelt en
een taak als portier in de ziekenboeg toebedeeld krijgt, valt hij
tenslotte ten prooi aan een typhusepidemie en overlijdt op 2.4.1945. Er
werd geen statutendossier teruggevonden, zodat verondersteld kan worden
dat de familie zijn erkenning nooit heeft aangevraagd, alhoewel hij zeker
aan alle voorwaarden voldoet om de titel van politieke gevangene te
krijgen. |
|
Emiel
VERHOFT |
Raymond
VERSTAPPE Vakbondleider bij de Algemene Centrale voor Vakbonden, gehuwd, 2 kinderen waarvan 1 na zijn aanhouding geboren wordt ° Lier 22.11.12 + Blechammer Heydebreck 26.1.45 |
|
Wanneer
België wordt binnengevallen op 10 mei 1940 plegen Oscar Vankesbeeck en
een politieofficier al een eerste verzetsdaad in Mechelen. Ze vernietigen
de vooroorlogse aangiften van non-ferrometalen, zodat de bezetter er in de
toekomst geen gebruik van zal kunnen maken. Gedurende
de hele bezettingsperiode zijn in Mechelen verschillende verzets- en
inlichtingendiensten actief: het Onafhankelijkheidsfront met het
bijbehorende Jeugdfront, de Belgische Brigade/Witte Brigade, het Geheim
Leger arrondissement Mechelen, de OMBR - Organisation Militaire de Résistance
Belge, Groep G, de nkb, les Affranchis, les Insoumis, de Belgische Brigade en de
inlichtingendiensten Clarence, Zero en Bayard. Het
onderscheid is niet altijd erg duidelijk. Zo wordt een groep van Belgische
Brigade, geleid door Lecron, opgerold in 1942, maar is de Lierse afdeling
ervan toegetreden tot de Witte Brigade. Een reeks kleine pesterijen van
ongeregeld verzet kenmerkt 1940. Op
14 juli 1941 wordt een bomaanslag gepleegd op de Nationale Bank in
Mechelen. De burgers moeten nu ook hun radio's inleveren en de avondklok
wordt opnieuw vervroegd. Op 24 juli 1941 neemt de Duitse overheid de
beslissing 10 inwoners van de stad, waaronder politiemensen, een
gemeenteraadslid en een procureur gedurende 4 weken als gijzelaars in
Breendonk op te sluiten. Na een schrijven op 5.8.1941 van Kardinaal Van
Roey aan de Kreiskommandant van Mechelen Von Marcker laat die hen
overplaatsen naar de citadel van Huy. Op 20.8.1941 worden ze vrijgelaten,
behalve Frans Theys, een nkb-lid. Op
27 augustus 1941 worden een grote groep nkb-jongeren
en ook leden van het Onafhankelijkheidsfront aangehouden: de eerste
massale aanhoudingen in Mechelen. De leden van het Onafhankelijkheidsfront
worden opgesloten in het Fort van Breendonk, de leden van de nkb
in de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen, waarna ze naar
Duitsland overgebracht worden om er voor een Sondergericht te verschijnen. Tussen
14 en 16 mei 1942 volgt een nieuwe aanhoudingsgolf waarvan de nkb
opnieuw het slachtoffer is. Een
meubelfabrikant, die op café vertelt hoe hij Amerikaanse piloten
verbergt, wordt verklikt en de sipo komt tussen 21 juni en 14 juli 1944 21 mensen aanhouden,
waarvan 16 naar Duitsland worden weggevoerd. 7 overleven niet. Op 14 en
15.8.1944 worden razzia's gehouden. Door die golf van aanhoudingen worden
de Mechelse communistische partij en het Onafhankelijkheidsfront
grotendeels opgerold. In
de nacht van 1 op 2 september 1944 worden nog enkele leden van het
politiekorps aangehouden. |