|
Frans Cox uit Loenhout
vertelt ons zijn wedervaren als krijgsgevangene:
Tijdens de 18-daagse
veldtocht was ik ingedeeld bij het 1ste Regiment Artillerie, 8ste
batterij.
Bij de overgave van het
Belgisch leger waren wij in Hooglede. Wij moesten alles achterlaten en ik
herinner mij nog dat ik 's anderendaags samen met Alfons
Schoenmakers te paard tot in Gent ben geraakt. Daar werden wij
krijgsgevangen genomen en hebben in Gent twee uren in een rij gestaan.
Maar toen wij beiden een fiets konden bemachtigen zijn we naar Antwerpen
gereden. Daar werden we echter door de Duitsers opgepakt en onder bewaking
naar het kamp van Polygoon gevoerd, waar we Rik
Kuypers en Vik
Van Dijck
(zoon van Rik de brouwer)
ook aantroffen.
Vanuit het kamp moesten
we dan te voet naar Kalmthout en we hoopten van tijdens de mars een kans
te krijgen om te vluchten. Enkelen deden dit inderdaad, maar Rik
Kuypers, die de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt als
politieke gevangene, en ook enige jaren ouder was, zei: "Mannen, laat
ons kalm blijven, ge kunt ze niet vertrouwen want ze schieten gemakkelijk.
We zullen wel zien."
In Kalmthout moesten we
op de trein, niet in personenwagons maar in beesten- en kolenwagons.
Van het ogenblik dat de
trein aan 't bollen was zei onze vriend Rik opeens : "Jongens, wij
zijn nog niet aan de vroege patatten !" Hij wist het.
We reden per trein tot
in Dortmund, waar we in het sportpaleis werden ondergebracht, iedereen
kreeg een nummer en we leerden daar reeds vasten.
Na een zestal dagen
werden enkele nummers afgeroepen waaronder ikzelf. Deze mannen moesten een
groepje vormen en Rik zei : "Ik ga ook mee, dan blijven we bij
elkaar."
Er liep het gerucht dat
regelmatig krijgsgevangenen werden aangeduid om te gaan werken en dat zij
beter te eten kregen.
Doch het viel ons flink
tegen want we kregen straf omdat wij niet in de houding hadden gestaan
tijdens een appèl; we moesten verschillende keren rond een barak lopen,
en dat viel niet mee !
Na enkele weken werden
we dan vervoerd naar een "Stalag" in Altengraben-Fallingbostel,
ten oosten van Bremen. In dat kamp hebben we een zestal weken verbleven.
Het eten daar bestond uit een soort soep gemengd met een of andere
meelsoort en één klein stukje brood met wat jam en dit eenmaal per dag.
Niet te verwonderen dat er elke dag gevangenen werden weggevoerd die
totaal ondervoed waren.
Op een morgen werden er
gevangenen aangeduid om te gaan werken bij de boeren. Wij waren bij de
gelukkigen.
Ze reden met ons een
ganse dag rond tot we Hannover
bereikten. Daar stonden de boeren reeds te wachten om ons te ontvangen. We
moesten wel koeien kunnen melken, anders konden ze ons niet gebruiken. We
werden in verschillende dorpen ondergebracht, in een barak waar zo'n 20
man in verbleef. De bewaking bestond uit Duitsers die de Eerste
Wereldoorlog hadden meegemaakt.
Ze brachten ons 's
morgens naar de boeren en kwamen ons 's avonds weer ophalen.
Wij kregen eten op de
boerderij en ik mocht zelfs met het gezin aan tafel zitten wat niet overal
het geval was.
Mijn vriend
Rik en ik lagen in een verschillend dorp, maar de boeren waar
we werkten, waren familie van elkaar. Hierdoor konden we regelmatig met
elkaar corresponderen, dank zij de boeren die onze briefjes meenamen.
Die correspondentie
moest echter wel gebeuren op stukjes papier die we hier en daar vonden of
op hetgeen de boeren ons gaven.
Rik
heeft dikwijls geschreven dat hij eens zou komen, maar hij is er nooit in
gelukt.
Ik heb bij twee boeren
gewerkt, eerst in een klein bedrijf daarna op een grote boerderij waar
tarwe en suikerbieten werden geteeld.
De eigenaar was tevens
burgemeester van het dorp en is met Kerstmis '40 gestorven. Er was daar
geen begrafenismaal zoals bij ons, maar effenaf een volledig feestmaal.
In de barak was het
minder goed.
De wachten werden om de
maand afgelost en het werden steeds oudere mannen. Op een keer kregen we
drie bewakers, echte drinkebroers.
Elke dag moesten we het
zaaltje opkuisen en ook hun laarzen poetsen.
Dit was steeds het
karwei voor de laatste man, dat maakte dat het telkens een sprint was om
binnen te zijn, maar er werd toch altijd een slachtoffer gevonden.
Wanneer het zaaltje dan
proper genoeg was naar hun zin, wachtten ze tot wij in ons bed lagen om te
komen zien of onze voeten wel proper waren.
En dit was maar zelden
het geval aangezien wij op blote voeten over de vloer moesten gaan.
Dan vlogen wij allemaal
het bed uit.
Er is daar op die
mannen gesakkerd, het was een echte plagerij.
Een van die drie mannen
was een "kiekenpoulier". Ik zou hem dolgraag de nek omgewrongen
hebben !
Al dikwijls was er ons
gezegd dat we naar huis mochten, maar het liep toch elke keer weer op een
sisser uit.
Einde '40 was het
zover. We werden met 42 man ondergebracht in een kamp Stalag
XI. B, waar ik Viktor Van Dijck
weer terugzag. We hadden elkaar sedert maanden niet meer gezien.
De barak was in 't
geheel niet verwarmd, zodat de adem van de gevangenen moest zorgen voor de
enige verwarming.
Onverwacht werden we op
transport gesteld en ik was op 13 januari 1941 terug in Loenhout.
Ik ben onmiddellijk de
groeten gaan overbrengen naar de vrouw van Rik
Kuypers. Hij zou pas op 10 april 1941 terugkeren.Hij was de oudste
opgeroepene en zou ook als laatste terugkeren naar zijn dorp en familie.
|